Vragen van de leden Van der Burg en Potters (beiden VVD) aan de Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, van Veiligheid en Justitie en aan de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de opvang van geradicaliseerde meisjes en jongens
in jeugdzorginstellingen (ingezonden 13 juli 2015).
Antwoord van Staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Veiligheid
en Justitie (ontvangen 10 september 2015).
Vraag 1
Kunt u aangeven hoeveel minderjarigen inmiddels zijn onderschept met plannen om af
te reizen naar Syrië of Irak, uitgesplitst naar meisjes en jongens?
Kunt u ook aangeven hoeveel minderjarige meisjes en hoeveel jongens zijn teruggekeerd
zijn uit Syrië of Irak?
Antwoord 1
Tot en met 1 juli 2015 zijn circa 200 Nederlanders met jihadistische intenties uitgereisd
naar Syrië of Irak met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie
in de strijdgebieden aldaar. Van deze groep zijn er circa 35 naar Nederland teruggekeerd
en circa 37 gesneuveld. Dat betekent dat er op dit moment nog circa 130 Nederlanders
met jihadistische intenties in Syrië of Irak verblijven. Over individuele gevallen
of verdere uitsplitsing doet het kabinet geen mededelingen. In de periode februari
2013 tot 24 juni 2015 zijn bij de Raad voor de Kinderbescherming 49 unieke aan jihadisme
gerelateerde kindzaken in onderzoek genomen. Het ging om 32 kinderen in gezinsverband
en om 17 individuele minderjarige potentiële vertrekkers.
Vraag 2
Waar vindt opvang van deze jongeren na onderschepping of terugkeer plaats indien er
geen sprake is van een strafrechtelijke traject?
Klopt het dat deze opvang plaatsvindt in reguliere jeugdzorginstellingen?
Antwoord 2
Het klopt dat deze opvang plaats kan vinden in reguliere jeugdhulpinstellingen. Dit
gebeurt als de gemeentelijk georganiseerde toegang (wijkteam of ander toegangsorgaan)
jeugdhulp inschakelt.
Vraag 3 en 4
Acht u het wenselijk dat geradicaliseerde jongeren vermengd worden met de reguliere
populatie van jeugdzorginstellingen zonder dat ze eerst gederadicaliseerd zijn? Ziet
u hierbij geen risico op overdracht van radicale denkbeelden? Hoe groot acht u het
risico op overdracht en waarop baseert u dat?
Bent u voornemens om gescheiden opvang in te richten voor geradicaliseerde jongeren?
Zo ja, waar en aan welke voorwaarden moet dit voldoen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3 en 4
Er is op dit moment geen gescheiden opvang voor geradicaliseerde jongeren. Mij zijn
geen signalen bekend dat daar binnen de jeugdhulp behoefte aan is. Instellingen voor
jeugd- en opvoedhulp bieden een pedagogisch leefklimaat. Bepalende aspecten daarvoor
zijn de relatie tussen de groepsopvoeder en de jongere, de opvoeding en verzorging,
en de bejegening, de behandeling en sfeer in de groep. Het risico van overdracht van
radicale denkbeelden bestaat, maar is beheersbaar. Op dit moment vindt de opvang en
behandeling plaats binnen reguliere programma’s en waar nodig betrekken de instellingen
kennis en kunde van buiten. De Raad voor de Kinderbescherming, die voor deze jongeren
vaak de instantie is die de machtiging aanvraagt, is voortdurend in gesprek met de
jeugdhulp om te bezien wat de beste aanpak is voor deze jongeren binnen de jeugdhulp.
Vraag 5 t/m 8
Welke beschikbare trajecten zijn er voor deradicalisering? Welke beschikbare trajecten
worden ingezet en met welke frequentie?
Hoe worden deze trajecten gefinancierd? Ten laste van welke begroting komen deze gelden?
Kunt u uitspraken doen over de effectiviteit van deze deradicaliseringstrajecten?
Zo nee, op welke termijn kunt u dit wel? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Voor welke doelgroepen worden deze trajecten ingezet en welke organisaties kunnen
er een beroep op doen?
Antwoord 5 t/m 8
In het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme (29 augustus 2014, bijlage bij Kamerstuk
29 754, nr. 253) is een faciliteit aangekondigd die trajecten aanbiedt voor geradicaliseerde jongeren
die openstaan voor een alternatief om te re-integreren in de samenleving buiten het
jihadistische netwerk: «Een nieuw op te richten Exit-faciliteit in Nederland. Personen
die uit het jihadisme willen stappen worden onder strenge voorwaarden begeleid door
deze exit-faciliteit. Hiermee wordt hen onder andere een (beter) toekomstperspectief
geboden. Ondersteuning door middel van psychologische hulpverlenging kan hier onderdeel
van zijn.» (Maatregel 13 uit het Actieprogramma).
In de afgelopen maanden is de organisatie van deze faciliteit verder uitgewerkt. Momenteel
worden de medewerkers geworven en in september dit jaar zal de faciliteit operationeel
zijn.
De trajecten zullen op maat gemaakt zijn en kunnen bestaan uit – een combinatie van
– individuele mentoring (bijvoorbeeld coaching op relatievaardigheden en zelfreflectie),
psychologische of psychiatrische support, counseling, groepsbijeenkomsten (bijvoorbeeld
«anger management») en praktische ondersteuning van het individu. Deze «exit-faciliteit»
gaat zorg dragen voor een geselecteerde pool van experts. De effectiviteit van ingezette
trajecten zal worden gemonitord.
In de volgende Voortgangsrapportage (voorzien op 9 november 2015) zal uw Kamer uitgebreider
worden geïnformeerd over deze faciliteit en de werkwijze. Daarbij zal ook worden ingegaan
op de doelgroepen, de financiering en welke organisaties een beroep kunnen doen op
de faciliteit.