Vragen van het lid Sjoerdsma (D66) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over recente
berichten dat Palestijnse landbouwgrond is vernietigd door Israël (ingezonden 7 juli
2015).
Antwoord van Minister Koenders (Buitenlandse Zaken), mede ondertekend door de Minister
voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (ontvangen 8 september 2015)
Vraag 1
Wat is uw reactie op de bericht «Palestinian farmer’s land leveled near Bethlehem»
en «Israeli forces level Palestinian land near Nablus»?1
Antwoord 1
Het kabinet betreurt de vernielingen van landbouwgronden op de Westelijke Jordaanoever.
De verbetering van de sociaaleconomische leefomstandigheden van de Palestijnse bevolking
in area C is een prioriteit van de EU. De EU roept de Israëlische autoriteiten op
om uitvaardiging en uitvoering van slooporders te stoppen.
Vraag 2
Kunt u de berichtgeving dat het Israëlisch leger landbouwgrond van Palestijnen heeft
vernietigd, bevestigen?
Antwoord 2
Het genoemde gebied bij Bethlehem was inderdaad als landbouwgrond in gebruik op het
moment dat het Israëlische leger de gewassen en infrastructuur vernielde. Het gebied
bij Khirbet Tana was niet in gebruik op moment dat het Israëlische leger het vernietigde.
Vraag 3 en 4
Kunt u aangeven wat de totale schade is van de vernielingen?
Klopt het dat deze landbouwgronden zijn gesubsidieerd door de Nederlandse overheid?
Zo ja, hoeveel bedraagt deze subsidie in totaal?
Antwoord 3 en 4
Het gebied bij Khirbit Tana was geen onderdeel van een Nederlands programma. Het kabinet
beschikt niet over gegevens over de schade die daar is aangericht.
Nederland heeft in 2008 en 2010 met het landbouwprogramma «Improving Livelihood in
Palestinian Territories» een financiële bijdrage geleverd aan projecten in het gebied
tussen Bethlehem en Hebron. Het Israëlische leger heeft daar op vijf verschillende
locaties gewassen en infrastructuur vernield. Via dit project is daar destijds ruim
EUR 40.000 in de ontwikkeling van landbouwgrond geïnvesteerd. Boeren hebben door de
vernielingen schade geleden, zoals verlies aan inkomsten.
Vraag 5 en 6
Heeft u al actie ondernomen, mede in het licht van de eerdere uitspraak dat «het kabinet
van mening is dat alle gevallen van schade aan door de EU en/of Nederland gefinancierde
projecten aan de orde moeten worden gesteld bij de Israëlische autoriteiten»?2
Is de schade reeds door Israël vergoed? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5 en 6
De EU dringt bij Israël consequent aan op ontwikkeling van Area C ten behoeve van
de Palestijnen en verzet zich tegen de sloop van Palestijnse bezittingen, zoals verwoord
in de Raadsconclusies van 20 juli 2015. De Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah
heeft bij de Israëlische autoriteiten de onvrede over de vernietiging van projectlocaties
van het landbouwprogramma uitgesproken. Als de financiering van projecten is beëindigd,
berust de verantwoordelijkheid voor de projecten bij de Palestijnse boeren. Nederland
heeft daarmee geen juridische basis om een schadevergoeding te eisen. Er is geen schadevergoeding
betaald aan de getroffen boeren.
Nederland vraagt geen vergunningen aan voor projecten in area C. Naar het oordeel
van de internationale gemeenschap is het opwaarderen van landbouwgrond niet vergunningplichtig,
omdat het van een andere orde is dan de constructie van bijvoorbeeld woningen, scholen
of klinieken. In Israëlische optiek hadden de Palestijnse boeren dit stuk grond echter
niet verder mogen ontwikkelen zonder vergunningen aan te vragen. Israël beschouwt
daarom de sloop als legaal.
Vraag 7
Is er sprake van een trend, waarbij Israël overgaat tot vernietiging van eigendom
van Palestijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 7
Volgens cijfers van OCHA zijn in de periode 1 januari tot 1 juli 2015 286 gebouwen
op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem gesloopt. Dat is een daling
van 20% in vergelijking met dezelfde periode in 2014. Deze zomer is echter weer sprake
van een toename. Uit cijfers van de VN blijkt dat in augustus 142 Palestijnse gebouwen
op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem zijn gesloopt. De EU ondersteunt
uit humanitaire overwegingen lokale Palestijnse gemeenschappen in Area C. Deze gemeenschappen
staan onder grote druk, onder meer door stelselmatige afwijzingen van bouwvergunningen.
Als gevolg van het ontbreken van de vergunningen staan de gemeenschappen bloot aan
een verhoogd risico op sloop van hun huizen, landbouwgronden en andere basisvoorzieningen.
Het kabinet is, evenals de EU en de VN, zeer bezorgd over het hoge aantal gevallen
waarin is overgegaan tot sloop van huizen of andere eigendommen van Palestijnen in
de Palestijnse Gebieden.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Van Bommel
(SP), ingezonden 3 juli 2015 (vraagnummer 2015Z13649)
X Noot
2Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel van de Handelingen,
nummer 1972