Vragen van het lid Visser (VVD) aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over
slechte samenwerking bij grote infrastructuurprojecten (ingezonden 9 juni 2015).
Antwoord van Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus (Infrastructuur en Milieu)
(ontvangen 29 juni 2015).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Hoe ga je hier niet failliet aan?»?1
Vraag 2
Kunt u ingaan op ieder van de vijf in het artikel genoemde kritiekpunten? Herkent
u deze kritiekpunten? Welke stappen onderneemt u daarop en op welke termijn neemt
u deze?
Antwoord 2
Rijkswaterstaat is voortdurend in gesprek met de bouwsector over alle aspecten van
projecten en aanbesteden. Ook de punten die in het artikel worden genoemd komen daarbij
aan de orde.
Ten eerste wordt in het artikel gesteld dat de projecten qua financiële omvang te
groot zijn. De omvang van projecten, mede in relatie tot de planning van de projecten,
is regelmatig onderwerp van overleg met individuele marktpartijen en Bouwend Nederland.
Uit deze overleggen komt het beeld naar voren dat het volume en de omvang zoals nu
in de inkoopplanning is opgenomen, behapbaar is voor de markt.
Ten tweede zouden de bouwbedrijven teveel risico’s dragen. Bij de risicoverdeling
tussen partijen is het uitgangspunt dat dat risico’s behoren te worden gedragen door
de partij die ze ook het beste kan beheersen. Risico’s die niet door één van de partijen
kunnen worden beheerst, worden zo mogelijk samen beheerst. In de standaardcontracten
van RWS is een risicoverdeling opgenomen. De risicoverdeling is niet in beton gegoten.
Zo is de (standaard)risicoverdeling bij DBFM-projecten aangepast naar aanleiding van
de ervaringen met de eerste DBFM-projecten. Tijdens de dialoogfase(n) van een aanbesteding
wordt daarnaast met de geselecteerde marktpartijen gesproken over de risicoverdeling
en kunnen projectspecifieke afwegingen worden gemaakt.
Ten derde is het signaal dat de tenderkosten te hoog zijn. Recent hebben Rijkswaterstaat
en Bouwend Nederland afspraken gemaakt om de tenderinspanningen die bedrijven moeten
leveren, te verminderen. Doel is om, waar mogelijk, de aanbestedingsperiode te verkorten
en het aantal op te leveren producten te verminderen.
Ten vierde zou de verhouding tussen partijen «versteend» zijn. Bij elk project is
sprake van contractwijzigingen gedurende de realisatieperiode en soms zijn er ook
issues tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. In verreweg de meeste gevallen worden
deze issues vervolgens in goed onderling overleg opgelost. Rijkswaterstaat stelt zich
daarbij redelijk en billijk op, maar wel vanuit een zakelijke houding. Indien de opdrachtnemer
wordt geconfronteerd met extra kosten of vertraging en Rijkswaterstaat draagt hier
de verantwoordelijkheid voor, dan zal Rijkswaterstaat de opdrachtnemer hiervoor compenseren.
Tot slot wordt in het artikel opgemerkt dat Rijkswaterstaat «vechtcontracten» in de
hand werkt. Te laag inschrijven om een opdracht koste wat kost binnen te halen, is
voor niemand goed. Rijkswaterstaat heeft de marktsituatie sinds 2008 aanzienlijk zien
verslechteren. Als opdrachtgever gaat Rijkswaterstaat bij een opvallend lage bediening
altijd het gesprek aan met de inschrijver. Die moet dan zijn bieding kunnen onderbouwen.
Uiteindelijk bepaalt de marktpartij of er wordt ingeschreven op een project en welke
bieding wordt gedaan.
Vraag 3
Wat gebeurt er in de tussentijd met de lopende projecten en de lopende Design, Build,
Finance and Maintain (DBFM)-contracten? Wat gebeurt er met de lopende aanbestedingen?
Hoe verhoudt zich dit met het traject binnen Rijkswaterstaat inzake de nieuwe marktvisie?
Antwoord 3
De maatschappelijke opgaven waarvoor we in Nederland staan, zijn groot en complex.
Niet alleen willen we de bereikbaarheid en veiligheid verbeteren, maar dit moet op
een duurzame manier gebeuren en tegelijkertijd moet ook de leefbaarheid worden vergroot.
Een vitale, innovatieve en professionele bouwsector moet ons helpen om deze integrale
opgaven gerealiseerd te krijgen. Een goede samenwerking tussen alle partijen in de
keten is daarbij onontbeerlijk. Rijkswaterstaat werkt daarom samen met de markt aan
de ontwikkeling en implementatie van een nieuwe marktvisie, die gebaseerd is op een
nieuwe cultuur – van onderling vertrouwen en minder regels – en waarbij ruimte is
voor nieuwe samenwerkingsvormen als co-creatie.
Met alle stakeholders (onder meer opdrachtgevers, marktpartijen, kennisinstituten
en brancheverenigingen), wordt over bovenstaande thema’s gesproken. De punten die
in het NRC-artikel zijn genoemd komen daarbij zeker ook aan bod.
Indien het overleg met de marktpartijen of de marksituatie hierom vraagt, zullen wijzigingen
worden doorgevoerd in lopende of nog te starten aanbestedingen. Aanpassingen die een
grote impact op de planning van een project kunnen hebben, dienen zeer zorgvuldig
te worden afgewogen. Dit geldt ook voor het doorvoeren van wijzigingen in reeds afgesloten
(DBFM-)contracten.
Vraag 4
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Wetgevingsoverleg Jaarverslagen Infrastructuur
en Milieu voorzien op 25 juni 2015?
Antwoord 4
Helaas heeft de beantwoording meer tijd nodig gehad.
X Noot
1NRC Handelsblad, 3 juni 2015