Vragen van het lid Mohandis (PvdA) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over het bericht «Bestuur gaat te ver, vinden Leidse studenten» (ingezonden 27 mei
2015).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 25 juni
2015)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bestuur gaat te ver, vinden Leidse studenten»?1
Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht in het licht van de recente discussie over de
betrokkenheid en medezeggenschap van studenten bij hun eigen onderwijs?
Antwoord 1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht. Het bericht vermeldt dat verschillende
studentenorganisaties in Leiden een open brief hebben gestuurd aan het College van
Bestuur (CvB) van de Universiteit Leiden (UL). In deze brief geven de studentenorganisaties
hun visie op de wijze waarop de UL talentontwikkeling en zelfontplooiing van haar
studenten het best kan bevorderen en hoe bepaalde beleidsmaatregelen die gericht zijn
op het bevorderen van studiesucces daarop inwerken. De studenten vinden dat er meer
ingezet moet worden op kwaliteit en het bieden van ruimte voor zelfontplooiing naast
de studie. Het CvB heeft de studenten hierop een antwoordbrief gestuurd waarin het
aangeeft hetzelfde doel te hebben als de studenten, namelijk ruimte scheppen voor
zelfontplooiing. Het CvB is van mening dat studiesuccesbevorderende maatregelen ervoor
zorgen dat studenten in de loop van hun studie meer tijd overhouden voor extra activiteiten.
Het CvB geeft aan het signaal van de studenten serieus te nemen en over de aangekaarte
thema’s verder met hen in gesprek te willen gaan. Een eerste reactie van de studenten
op de antwoordbrief is positief.
Naar ik heb begrepen vindt het goede gesprek tussen het CvB en de Universiteitsraad
(UR), waarin ook studenten zijn vertegenwoordigd die de open brief hebben ondertekend,
regelmatig plaats. De studenten hebben in hun brief hun standpunt bekrachtigd. Ik
constateer dat de betrokkenheid van studenten aan de Universiteit Leiden bij hun eigen
onderwijs groot is en dat het CvB er voor openstaat om daarover met de medezeggenschap
in gesprek te gaan.
Vraag 2
Hoe kijkt u tegen het signaal van deze studentenvertegenwoordigingen aan met betrekking
tot de wijze waarop in Leiden binnen de experimentmogelijkheden ingezet wordt op een
bindend studieadvies (bsa) in het tweede studiejaar?
Antwoord 2
Ik zie dat de studenten in Leiden aan hun bestuur laten weten dat zij graag een breed
gesprek met hen voeren over de inzet van studiesuccesbevorderende maatregelen, waaronder
ook de inzet van het bsa in het tweede jaar. De reactie van het bestuur laat zien
dat het signaal van de studenten serieus genomen wordt. Het CvB overlegt regelmatig
met de studentgeledingen over ontwikkelingen in het onderwijs. Naar aanleiding van
de open brief heeft het bestuur de studentfracties voorgesteld om in de komende, reeds
geplande overleggen de door de studenten aangekaarte thema’s rond studiesuccesbevorderende
maatregelen te agenderen. Daarop hebben de opstellers van de brief positief gereageerd.
Ik vind het goed om te merken dat thema’s die studenten aan de orde stellen onderwerp
zijn in de gesprekken van de medezeggenschap en het bestuur.
Vraag 3
Deelt u de mening dat dit bericht en de brief die hier aanleiding toe waren2 duidelijk maken dat er van draagvlak voor deze maatregel bij de medezeggenschap geen
sprake meer is? Zo nee, waarom niet. Zo ja, waarom deelt u deze opvatting niet?
Antwoord 3
Nee, die mening deel ik niet. Dit experiment is eerder besproken met de medezeggenschap
en er bestaan heldere afspraken tussen de UR en het CvB over de uitvoering van het
experiment. Dat de studentorganisaties die de brief verzonden hebben positief reageren
op de reactie van het CvB, geeft mijns inziens aan dat in Leiden het bestuur en de
UR het gesprek blijvend aangaan.
Vraag 4
Heeft u al zicht op resultaten vanuit het Leidse bsa-experiment wat betreft de effecten
op studenten en studieprestaties?
Antwoord 4
Nee, daarop heb ik op dit moment geen zicht. De eerste bindende studieadviezen in
het tweede jaar zullen in augustus gegeven worden. De UL zal zelf een evaluatie uitvoeren
in het komende najaar. Daarbij zullen zowel studenten als docenten betrokken zijn.
De resultaten van deze evaluatie worden besproken met de UR. Over de resultaten zal
de UL ook aan mij rapporteren. Het gehele experiment zal ik evalueren na afloop van
het experiment in 2018.
Vraag 5
Bent u bereid om, gezien het beperkte aantal deelnemers aan het bsa-experiment en
het ontbreken van draagvlak in Leiden, dit experiment niet verder te continueren na
afloop en geen onderdeel te laten zijn van de nieuwe kwaliteitsafspraken?
Antwoord 5
Voor het voortijdig staken van dit lopende experiment zie ik geen aanleiding. Dat
het aantal deelnemers aan dit experiment beperkt is, ligt in lijn met de ruimte die
instellingen hebben om verschillende instrumenten in te zetten op een wijze die past
bij de eigen onderwijsvisie en het profiel van de instelling. Ik hecht aan de variëteit
die ontstaat doordat instellingen hierin verschillende keuzes maken. Daarbij is ook
een experiment dat beperkt in omvang is waardevol.
In 2018 zal dit experiment door mij geëvalueerd worden. Deze evaluatie zal ik uw Kamer
doen toekomen. De vraag of we het bindend studieadvies na het eerste jaar wettelijk
mogelijk willen maken, komt dan aan de orde.