Vragen van het lid Van Toorenburg (CDA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties over de uitzending van Rambam met de «portemonneetest» (ingezonden
6 maart 2015).
Antwoord van Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
28 april 2015). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1704.
Vraag 1
Deelt u de mening dat, door wat in de uitzending van Rambam met de portemonneetest
getoond wordt, het vertrouwen in de lokale overheid in het geding is, zowel bij degene
die een portemonnee verliest als bij de eerlijke vinder?1
Antwoord 1
De in het televisieprogramma uitgevoerde «portemonneetest» laat zien dat de registratie
van verloren en gevonden voorwerpen door gemeenten nog niet overal op orde is. Men
mag van de overheid verwachten dat deze op een zorgvuldige en integere wijze omgaat
met zaken die onder haar zorg worden geplaatst. Dit geldt dus ook voor de zorg over
gevonden voorwerpen bij gemeenten en/of politie. Daar waar duidelijk wordt dat dit
niet gebeurt, dient dan ook actie te worden ondernomen. Zo dienen gemeenten zelf de
integriteit van het eigen bestuursorgaan op peil te houden en waar nodig over te gaan
tot handhaving als blijkt dat de integriteit in het geding komt. Dit is naar aanleiding
van de uitzending van Rambam ook gebeurd. De gemeente Ede heeft een ambtenaar, die
een portemonnee mee naar huis had genomen en het geld aan privédoeleinden had uitgegeven,
ontslagen. Bij de politie is een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek gestart,
dat in één geval heeft geleid tot het buiten functie stellen van een medewerker. De
betreffende medeweker is inmiddels uit dienst. Op dit moment ontbreekt nog een bedrag
van 332,65 euro. Het onderzoek hiernaar loopt nog.
Antwoord 2
De taakuitvoering met betrekking tot de registratie van verloren en gevonden voorwerpen
is op grond van het Burgerlijk Wetboek belegd bij gemeenten. Het is daarmee aan gemeenten
zelf om op grond van de eigen autonomie te bezien hoe zij uitvoering wensen te geven
aan deze taak. Zij zijn immers zelf het best in staat om te bezien hoe zij dat zo
effectief en efficiënt mogelijk kunnen doen. Momenteel hebben 213 gemeenten ervoor
gekozen gebruik te maken van de website www.verlorenofgevonden.nl.
Vraag 3
Is de registratie van gevonden voorwerpen adequaat? Zo nee, welke maatregelen neemt
u om die te verbeteren?
Antwoord 3
De registratie van verloren en gevonden voorwerpen is een taak van de gemeente. Tot
een aantal jaar geleden, werd deze taak veelal overgedragen aan de politie. Sinds
1 januari 2013 houdt de politie zich hier echter niet meer mee bezig. Het feit dat
de registratie van verloren en gevonden voorwerpen niet in alle gevallen even goed
verloopt, heeft niet te maken met de regeling die hiervoor is opgenomen in het Burgerlijk
Wetboek, maar meer met de wijze waarop hier door gemeenten en politie uitvoering aan
wordt gegeven. Gemeenten zijn daarbij vanuit hun positie primair zelf verantwoordelijk
voor de eigen bedrijfsvoering, waarbij de gemeenteraad als voornaamste controleorgaan
geldt. De regeling omtrent verloren en gevonden voorwerpen zoals die is opgenomen
in het Burgerlijk Wetboek is op zichzelf mijns inziens adequaat en voldoet. Voor een
aanpassing van de regeling zie ik dan ook geen aanleiding.
Vraag 4
Zijn gemeenteambtenaren voldoende op de hoogte van de regelgeving met betrekking tot
gevonden voorwerpen? Zo nee, welke maatregelen neemt u om de noodzakelijke kennis
te bevorderen?
Antwoord 4
Uit de in het televisieprogramma uitgevoerde «portemonneetest» blijkt dat, ondanks
het feit dat de regeling omtrent de registratie van verloren en gevonden voorwerpen
in het Burgerlijk Wetboek op zichzelf adequaat is, gemeenteambtenaren alsook politiepersoneel
hier niet altijd even goed van op de hoogte zijn. Er is hierover recent contact geweest
met de Politie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarmee het ook bij hen
onder de aandacht is gebracht.
Vraag 5
Bent u bereid om de regeling gevonden voorwerpen zodanig aan te passen, dat gevonden
voorwerpen die in bewaring gegeven zijn bij de gemeente, niet spoorloos kunnen verdwijnen?
Antwoord 5
Zoals ik reeds opmerkte bij vraag 3, acht ik de regeling in het Burgerlijk Wetboek
op zichzelf adequaat. Aanpassing van deze regeling acht ik dan ook niet nodig of gewenst.
Vraag 6
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met de VNG?
Antwoord 6
Zoals opgemerkt bij vraag 4, heb ik contact gehad met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en is het onderwerp bij haar onder de aandacht gebracht.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Krol (50PLUS),
ingezonden 6 maart 2015 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2105).
X Noot
1Rambam, NPO 3, 4 maart 2015