Vragen van de leden Bruins Slot (CDA) en Van Dekken (PvdA) aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over het dopingrapport van de UCI (Internationale Wielrenunie) (ingezonden
11 maart 2015).
Antwoord van Minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 20 april
2015). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1763.
Vraag 1
Kent u het rapport van de Cycling Independent Reform Commission van de UCI, waarin
onder andere wordt geconstateerd dat er vandaag de dag nog steeds een dopingcultuur
in het internationale wielrennen heerst?1
Vraag 2
Deelt u de constatering van de commissie dat, ondanks dat de verantwoordelijkheid
voor anti-dopingbeleid primair bij de sport ligt, ook overheden een ondersteunende
verantwoordelijkheid hebben bij het bestrijden van dopinggebruik?
Antwoord 2
Ja. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4.
Vraag 3
Op welke wijze worden onderzoeksmiddelen, die exclusief in handen zijn van de overheid
(zoals de mogelijkheid van telefoontaps en financiële onderzoeken), gebruikt in de
strijd tegen doping?
Antwoord 3
Indien sprake is van een verdenking van het plegen van strafbare feiten kunnen onder
gezag van het OM opsporingsmiddelen, zoals het plaatsen van een telefoontap, worden
ingezet bij de opsporing van deze strafbare feiten, onder de voorwaarden zoals opgenomen
in het Wetboek van Strafvordering. Voor de productie en het in het handelsverkeer
brengen van geneesmiddelen, waaronder dopinggeduide middelen, is een vergunning nodig.
Als geneesmiddelen worden vervaardigd of verhandeld zonder vergunning, te koop worden
aangeboden of ter hand worden gesteld door een ander dan een daartoe bevoegde (zoals
een apotheker of een arts), is dit een overtreding van de Geneesmiddelenwet. De handhaving
van de Geneesmiddelenwet kent in combinatie met de Wet op de economische delicten
een duaal stelsel; er kan een bestuursrechtelijke sanctie door een van de toezichthouders
(IGZ en NVWA) worden opgelegd of er kan strafrechtelijk worden opgetreden. Handhavend
optreden is overigens ook mogelijk in de situatie dat de desbetreffende geneesmiddelen
niet zijn toegelaten tot de Nederlandse markt.
Verder kunnen handelingen ten aanzien van de grondstoffen (werkzame stoffen) voor
geneesmiddelen, waaronder dopinggeduide middelen, een overtreding inhouden. Krachtens
artikel 38 van de Geneesmiddelenwet is voor deze handelingen een registratie vereist.
Het verrichten van dergelijke handelingen zonder registratie is eveneens bestuurs-
of strafrechtelijk te handhaven. Voorts is strafrechtelijk optreden mogelijk voor
zover die stoffen voorkomen op lijst I of lijst II van de Opiumwet, of vallen onder
de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.
Vraag 4
Bent u bereid de aanbeveling onder 3.1.1 uit het commissierapport, waarin wordt gesteld
dat onderzoeksmiddelen van de overheid en structurele informatie-uitwisseling tussen
overheid en sportbonden noodzakelijk zijn om moderne dopingtechnieken (zoals microdosing)
op te sporen, mee te nemen in het beleid?
Antwoord 4
Zoals bij het antwoord op vraag 3 is aangegeven, kunnen opsporingsmiddelen al worden
ingezet bij strafrechtelijk optreden tegen strafbaar gestelde gedragingen met betrekking
tot doping. Deze opsporingsmiddelen worden niet ingezet ten aanzien van het gebruik
van doping, zoals microdosing. Het gebruik van doping is immers niet strafbaar in
Nederland, en opsporingsmiddelen mogen daarom niet worden ingezet ten aanzien van
dopinggebruik.
Vraag 5
Wat is uw mening voor wat aanbeveling 3.1.3 betreft, waaruit in de Nederlandse situatie
afgeleid kan worden dat de Dopingautoriteit gevallen van artsen die schuldig zijn
bevonden aan een overtreding van anti-dopingregels standaard door zou moeten geven
aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), waarna mogelijk een doorhaling in
het BIG-register kan volgen?
Antwoord 5
Wanneer een arts of andere BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar schuldig wordt bevonden
aan een overtreding van antidopingregels van een sportorganisatie dan kan deze beroepsbeoefenaar
daar in beginsel ook door de tuchtrechter nog op worden aangesproken. Voor een gang
naar de tuchtrechter is melding bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) niet
noodzakelijk. Het staat namelijk iedere rechtstreeks belanghebbende vrij om het handelen
van een ingeschreven beroepsbeoefenaar ter toetsing voor te leggen aan de tuchtrechter.
De zwaarste maatregel die een tuchtrechter kan opleggen is doorhaling in het BIG-register
van de betreffende beroepsbeoefenaar.
Wanneer een melding van een dergelijke overtreding bij de IGZ wordt gedaan dan zal
de IGZ een inschatting maken of voldaan is aan de randvoorwaarden voor verantwoorde
zorg. Indien noodzakelijk dan zal de IGZ overgaan tot het opleggen van een bestuursrechtelijke
maatregel of de casus ter toetsing voorleggen aan de tuchtrechter.
Vraag 6
Deelt u de mening dat doping ook in Europees verband aangepakt dient te worden? Zo
ja, hoe wilt u deze Europese aanpak bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Het tegengaan van dopinggebruik wordt reeds in Europees verband aangepakt via de Anti-dopingconventie
van de Raad van Europa en CAHAMA, het Europese afstemmingsorgaan voor de samenwerking
met het Wereld Anti-doping Agentschap (WADA).
X Noot
1Cycling Independent Reform Commission, Report to the president of de Union Cycliste
Internationale, februari 2015