Vragen van het lid Van der Staaij (SGP) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport over het bericht «Aantal abortussen in Duitsland weer gedaald» (ingezonden
11 maart 2015).
Antwoord van Minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 20 april
2015). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1764.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht van het Duitse bureau voor de statistiek dat
het aantal abortussen in tien jaar met 25 procent is gedaald?1 Zo ja, wat vindt u daarvan?
Antwoord 1
Ja. Ik heb er kennis van genomen.
Vraag 2
Vindt u het gewenst als ook in Nederland een dergelijke forse daling van het aantal
abortussen zou optreden?
Antwoord 2
Het streven is dat er zo min mogelijk vrouwen ongewenst zwanger zijn en dat zo min
mogelijk vrouwen zich in een noodsituatie bevinden waardoor zij zich genoodzaakt voelen
om een abortus te laten uitvoeren.
Vraag 3
Hoe is het mogelijk dat het aantal abortussen in Duitsland veel sterker daalt dan
in Nederland? Wat zijn hiervan de oorzaken?
Antwoord 3
Het is mij onbekend wat de exacte reden is van het dalen van het aantal abortussen
in Duitsland. De demografische ontwikkeling kan hierin een rol spelen. Wanneer gekeken
wordt naar het abortuscijfer (aantal abortussen per 100 vrouwen in de leeftijd van
15–44 jaar) dan blijkt dat de daling minder sterk is dan 25%. In 2004 was het abortuscijfer
6.6 en in 2014 5.5. Mogelijk andere oorzaken zijn niet gedefinieerd. Ik kan dit dan
ook niet voor de situatie in Duitsland invullen.
Vraag 4
Op welke punten is het beleid rond ongewenste zwangerschap in Duitsland anders georganiseerd
dan in Nederland? Welke maatregelen in adviserende, financiële of andere zin worden
daar genomen die in Nederland niet worden getroffen? Wordt er ook meer aandacht besteed
aan alternatieven voor het afbreken van de zwangerschap?
Antwoord 4
In Duitsland en Nederland is een grote hoeveelheid maatregelen beschikbaar voor ongewenst
zwangere vrouwen. Deze maatregelen kunnen specifiek gericht zijn op ongewenst zwangere
vrouwen maar kunnen ook generiek van aard zijn waar deze groep ook gebruik van kan
maken. Rekening houdend met de sociaal demografische en culturele verschillen tussen
de twee landen, en de grote hoeveelheid van maatregelen die verdeeld zijn over verschillende
terreinen, is het voor mij moeilijk om een vergelijking te maken tussen alle maatregelen
die in Duitsland gelden en in Nederland.
Vraag 5, 6
Welke invloed zou uit kunnen gaan van het gegeven dat het plegen van de abortus in
Duitsland uitdrukkelijk is voorbehouden aan een arts die niet betrokken is geweest
bij het adviesgesprek?
Zou een dergelijke wettelijk gegarandeerde, los van de bij de abortuskliniek functionerende
advisering van onbedoeld zwangere vrouwen en hun partners, ook in Nederland geen belangrijke
bijdrage kunnen leveren aan het terugdringen van abortussen?
Antwoord 5, 6
Het uitgangspunt van de abortuswetgeving is dat een vrouw in vrijheid en goed geïnformeerd
een beslissing neemt. De uitvoerend arts moet zich hiervan vergewissen. Het is naar
mijn mening niet noodzakelijk dat de arts waarmee het adviesgesprek wordt gevoerd
een andere arts is dan de arts die de behandeling uitvoert. In Nederland geldt de
verplichte beraadtermijn van 5 dagen. Deze begint te lopen op het moment dat de vrouw
haar eerste gesprek met een arts heeft gehad. Dikwijls is dit een arts die de vrouw
verwijst naar een ziekenhuis of kliniek. In dit gesprek kunnen ook alternatieven besproken
worden.
Vraag 7
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om in Nederland eveneens een daling van het
aantal abortussen te bewerkstelligen?
Antwoord 7
Het is onbekend wat de daling in Duitsland heeft veroorzaakt. Ik ben niet voornemens
om extra maatregelen te nemen. Het streven is dat er zo min mogelijk vrouwen ongewenst
zwanger zijn en dat zo min mogelijk vrouwen zich in een noodsituatie bevinden waardoor
zij zich genoodzaakt voelen om een abortus te laten uitvoeren.
Vraag 8
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de richtlijn voor adviesgesprekken bij ongewenste
zwangerschappen, waarin ook nadrukkelijk aandacht is voor het volledig informeren
van vrouwen over alle mogelijkheden die er zijn als er sprake is van ongewenste zwangerschap?
Antwoord 8
In 2011 heeft het Nederlandse Genootschap van abortusartsen een richtlijn tot stand
gebracht aangaande de begeleiding van vrouwen die een zwangerschapsafbreking overwegen.
In deze richtlijn wordt ook aandacht besteed aan het informeren van de ongewenst zwangere
vrouw over mogelijke alternatieven.
Vraag 9, 10
Deelt u de opvatting dat het financiële motief voor vrouwen om tot abortus over te
gaan, mogelijk toch nader onderzoek en aanpak verdient, teneinde het aantal abortussen
in Nederland te laten dalen?
Bent u bereid te bewerkstelligen dat het voor 2016 voorziene onderzoek naar de motieven
voor een abortus naar voren wordt gehaald?
Antwoord 9, 10
In 2008 heeft het toenmalige kabinet opdracht verleend voor onderzoeken naar abortus
bij ZonMw. Het laatste onderzoek over de motieven voor abortus wordt halverwege 2016
opgeleverd. Ik zie geen aanleiding om de oplevering van het onderzoek naar voren te
halen.