Vragen van het lid Yücel (PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
over het bericht dat moeders minder zijn gaan werken door de bezuiniging op de kinderopvang
(ingezonden 17 februari 2015).
Antwoord van Minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 17 maart
2015)
Vraag 1
Kent u het artikel «Minder moeders werken door bezuiniging kinderopvang»?1
Vraag 2
Kunt u uitleggen hoe het komt dat de branchevereniging kinderopvang en het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS) een verschil in inzicht hebben met betrekking tot
de arbeidsparticipatie van moeders in relatie tot de bezuiniging op de kinderopvang?2
Antwoord 2
Tussen de analyse van het CPB, waar de Brancheorganisatie Kinderopvang naar verwijst,
en het CBS zit een aantal verschillen, waardoor de uitkomsten niet zomaar te vergelijken
zijn. Zo zit er een verschil in de dataset die wordt gebruikt en de periode waarop
die betrekking heeft. Verder wordt gebruik gemaakt van een andere methodiek: het CBS
maakt gebruik van een difference-in-differences analyse en het CPB maakt een voorspelling
op basis van een discreet keuzemodel. Zoals in het CBS-artikel ook is aangegeven,
kunnen naast de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag ook andere factoren het gevonden
effect op arbeidsparticipatie beïnvloeden. Zo is in dezelfde periode de inkomensafhankelijke
combinatiekorting (iack) geïntensiveerd en kunnen ook andere factoren waarmee uitsluitend
ouders met jonge kinderen te maken hebben, zoals veranderingen in de bereikbaarheid
van kinderopvang, de arbeidsdeelname beïnvloeden. Bij de CPB-analyse wordt juist gekeken
naar het – op basis van modelberekeningen – verwachte effect van geïsoleerde maatregelen.
In het algemeen geldt dat de ontwikkeling in arbeidsparticipatie van veel factoren
afhankelijk is, zoals de economische situatie, brede sociaaleconomische ontwikkelingen
en beleid. Dat geldt ook voor de arbeidsparticipatie van moeders met jonge kinderen.
Vraag 3
Hoe denkt u hierover en welke conclusie trekt u wat betreft dit verschil in inzicht?
Antwoord 3
Het is niet eenvoudig om een eenduidige conclusie te verbinden aan twee zo verschillende
onderzoeken. Zoals hierboven ook gezegd, is de arbeidsparticipatie afhankelijk van
veel factoren. Enerzijds zien we dat de arbeidsparticipatie van ouders van jonge kinderen
de afgelopen jaren, ondanks de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag, een vergelijkbare
ontwikkeling heeft laten zien als die van de algemene bevolking. Anderzijds constateer
ik dat bij moeders van jonge kinderen nog participatiewinst te boeken is, daar zit
nog de meeste rek in de arbeidsparticipatie.
Recent heeft het CPB een nieuw model gepresenteerd, dat gebaseerd is op nieuwe wetenschappelijke
inzichten en nieuwe data, waarmee beleidsmaatregelen worden doorgerekend. Uit analyses
met dit model, zoals in de studie «De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid»
komt naar voren dat beleid gericht op de groep moeders met jonge kinderen – zoals
de kinderopvangtoeslag of de iack – relatief effectief is.
Vraag 4
Deelt u de mening dat kinderopvang een belangrijk arbeidsmarktparticipatie-instrument
is en een ontwikkelfunctie heeft voor de jongste kinderen?
Antwoord 4
Ja. Bij kinderopvangbeleid horen twee doelstellingen: het vergemakkelijken van de
combinatie arbeid en zorg en het bieden van kwalitatief goede opvang.
Vraag 5
Deelt u de mening dat kinderopvangorganisaties stevig moeten (blijven) inzetten op
het verbeteren van de pedagogische kwaliteit? Bent u het daarnaast ook mee eens dat
een hogere pedagogische kwaliteit bijdraagt aan de keuze van ouders voor kinderopvangorganisaties
in plaats van informele opvang?
Antwoord 5
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat kinderopvangorganisaties blijven inzetten op
pedagogische kwaliteit. Een goede kwaliteit zorgt ervoor dat ouders met vertrouwen
hun kind naar de kinderopvang brengen. De kinderopvang moet een veilige omgeving zijn
kinderen, waarin kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De (pedagogische)
kwaliteit draagt daarmee bij aan de keuze van ouders voor kinderopvang.
Vraag 6
Acht u, in het licht van de nieuwste cijfers en uw eigen conclusie met betrekking
tot vraaguitval en de eventuele invloed op de arbeidsparticipatie van ouders en specifiek
vrouwen, aanvullende maatregelen noodzakelijk? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Er zijn verschillende maatregelen die de arbeidsparticipatie raken. Ik bekijk de noodzaak
tot aanvullende maatregelen op het gebied van kinderopvang dan ook in het licht van
het totale beleid rond arbeidsparticipatie. Ik informeer u hierover bij begroting.