Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-20151534

Vragen van het lid Kuzu (Groep Kuzu/Öztürk) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over allochtone daders die een grotere kans op een zware straf hebben (ingezonden 3 februari 2015).

Antwoord van Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 12 maart 2015). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1393

Vraag 1, 2, 3 en 4

Bent u bekend met het nieuwsbericht «Allochtone dader heeft grotere kans op zware straf»?1

Bent u bekend met het omvangrijke onderzoek van de Universiteit Leiden in opdracht van de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) naar de verschillen in straftoemeting?2

Bent u bekend met het onderzoek van het Nederlandse Juristenblad naar de rol van de kenmerken van verdachten?3

Herinnert u de eerdere vagen over «het bericht dat verdachten met een buitenlands uiterlijk strenger gestraft worden dan andere verdachten»?4

Antwoord 1, 2, 3 en 4

Ja.

Vraag 5

Deelt u de mening van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) dat niet per definitie op grond van een cultureel motief een straftoemeting kan worden verklaard?5 Zo ja, wat doet u eraan zoveel mogelijk in lijn te handelen met het Europees Hof van het EVRM? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Onpartijdigheid is één van de kernwaarden van de rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak (de Raad) neemt signalen over een mogelijke ongelijke behandeling op basis van de afkomst van verdachten dan ook zeer serieus. Nu er naar aanleiding van het eerdere onderzoek nog vragen onbeantwoord zijn gebleven, heeft de Raad vervolgonderzoek aangekondigd, waar ik in mijn antwoord op vragen 7 en 8 nader op inga. Ik laat me graag informeren over de uitkomsten van dit vervolgonderzoek. Overigens is de rechtspraak druk doende om voorstellen te doen om de motivering van de strafmaat nog inzichtelijker te maken, zodat zo duidelijk mogelijk wordt gemaakt waarom de rechter een bepaalde straf of maatregel oplegt.

Vraag 6

Herinnert u zich dat uw antwoord op eerdere vragen «het uiterlijk en de taalbeheersing van de verdachte mogen geen rol spelen bij de straftoemeting»?6 Wat heeft u gedaan teneinde uitvoering te geven aan hetgeen u heeft gezegd?

Antwoord 6

Bij brief van 3 april 2012 heb ik drie sets Kamervragen beantwoord over het bericht dat verdachten met een buitenlands uiterlijk strenger worden gestraft. In dat antwoord heb ik aangegeven dat ik het WODC heb gevraagd de methode en de conclusies te beoordelen van het onderzoek dat de aanleiding vormde voor de berichtgeving (het onderzoek dat gepubliceerd is in het Nederlands Juristenblad van 2012). Het WODC heeft diverse kanttekeningen gemaakt bij het onderzoek. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad aangekondigd nader onderzoek te verrichten. Dit onderzoek is thans gereed. Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 7 en 8.

Vraag 7 en 8

Bevestigt u dat Nederlanders met een niet-westers uiterlijk, een grotere kans hebben op een veroordeling dan Nederlanders met een westers uiterlijk en dat de kans op een veroordeling het grootst is bij de verdachte die geen Nederlands spreekt en een niet-westers uiterlijk heeft? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?

Bevestigt u dat verdachten met een westers uiterlijk voor een gekwalificeerde diefstal een kans van zeven procent hebben op een celstraf terwijl Turkse- en Antilliaanse Nederlanders van de tweede generatie voor een vergelijkbaar delict een kans hebben van elf procent? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?

Antwoord 7 en 8

Op het eerste oog lijken er verschillen in de straftoemeting te bestaan. Als echter rekening wordt gehouden met factoren als het hebben van een crimineel verleden, of het hebben van een baan, verdampen de verschillen snel. Er blijft dan een klein verschil over. Hieruit kan niet afgeleid worden dat rechters, bewust of onbewust, rekening houden met de etnische achtergrond van de verdachte. Het opleggen van een straf is immers een complex proces waarbij met veel factoren rekening wordt gehouden. Een aantal factoren dat mogelijk van invloed is, was niet in dit onderzoek betrokken. De Raad heeft besloten verder onderzoek te laten verrichten. Hierbij denkt de Raad aan mogelijke miscommunicatie in de rechtszaal door culturele verschillen of taalbarrières, de invloed van de houding van een verdachte of de kwaliteit van de verdediging. Daarbij zullen ook gesprekken gevoerd gaan worden met strafrechters, iets wat tot dusver in het kader van onderzoek naar eventuele etnisch gerelateerde verschillen in de straftoemeting nog niet heeft plaatsgevonden.

Vraag 9, 10, 11 en 12

Waarom zit er volgens u een verschil in de straftoemeting ondanks uitsluiting van alle door de onderzoekers van de Universiteit Leiden genoemde andere factoren?

Blijkt uit dit onderzoek dat deze factoren nog steeds een rol spelen bij straftoemeting? Zo ja, waarom?

Bent u van mening dat een dergelijke dubbele maat haaks staat op het gelijkheidsbeginsel dat een kernwaarde is voor de rechter? Zo ja, wat gaat u tegen deze ongelijkheid doen? Zo nee, waarom niet?

Bent u net als de Rvdr en de onderzoekers van mening dat nader onderzoek gedaan moet worden naar de etnisch gerelateerde verschillen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen teneinde dit onderzoek snel te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9, 10, 11 en 12

De onderzoekers hebben niet alle mogelijke straftoemetingsfactoren in het onderzoek betrokken. Omdat er een klein verschil overblijft, dat niet verklaard kan worden door de straftoemetingsfactoren die wel in het onderzoek zijn meegenomen, komt er een vervolgonderzoek. Hoe het vervolgonderzoek er precies uit komt te zien, is op dit moment nog niet bekend. Wel is bekend dat het mede gericht zal zijn op de straftoemetingsfactoren die tot dusver niet in het onderzoek zijn betrokken. Voor het overige verwijs ik naar mijn eerdergenoemde antwoorden uit 2012 en mijn antwoorden op vragen 5, 7 en 8.

Vraag 13 en 14

Heeft het politieke klimaat van de afgelopen tien jaar effect op de straftoemeting door rechters? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen zodat rechters media- en politiekbestendig recht zullen spreken? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?

Is de uitkomst van dit onderzoek voor u een reden ook de zaken van rechters van de Raad van State en de Hoge Raad te onderzoeken? Zo ja, wanneer gaat dat onderzoek plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 13 en 14

De invloed van het politieke klimaat op de straftoemeting van rechters maakte geen deel uit van het onderzoek. Dat geldt ook voor zaken van rechters van de Raad van State en de Hoge Raad. Hoe het vervolgonderzoek er precies uit zal zien is, zoals gezegd, op dit moment nog niet bekend. De Raad zal de uitkomsten van het reeds uitgevoerde onderzoek binnen de rechtspraak bespreken. Met name zal hierbij gekeken worden naar de manier waarop strafrechters tegen het onderzoek aankijken. Deze discussie zal mede bepalend zijn voor de opzet van het vervolgonderzoek.

Vraag 15

Vindt u dat Nederland, dat internationaal bekend staat als land van het recht, door deze ontwikkelingen in de reputatie wordt geschaad? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom niet?

Antwoord 15

Nee. Signalen over een mogelijke ongelijke behandeling neemt de Raad terecht zeer serieus. Om die reden heeft de Raad aangekondigd nader onderzoek te verrichten naar de openstaande vragen.

Toelichting:

Aanvullend op eerdere vragen ter zake van de leden Recourt en Marcouch (beiden PvdA), ingezonden 30 januari 2015 (vraagnummer: 2015Z01576)