Vragen van het lid PieterHeerma (CDA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het nieuwe meetinstrument van de GGD dat de kwaliteit van de kinderopvang moet gaan meten (ingezonden 23 februari 2015).

Antwoord van Minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 9 maart 2015)

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de kritiek uit wetenschappelijke hoek over het nieuwe meetinstrument van de GGD dat de kwaliteit van de kinderopvang moet gaan meten?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u bevestigen dat de (concurrente) validiteit van het nieuwe meetinstrument van de GGD voor het meten van de pedagogische kwaliteit niet is vergeleken met een meetinstrument dat wel gevalideerd is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

Ja. Bij de uitvoering van het onderzoek is Sardes geconfronteerd met problemen met de beschikbaarheid van een valide Nederlandstalig instrument. In overleg met mijn ministerie heeft Sardes conform hun offerte het observatie-instrument van de GGD vergeleken met een samengesteld alternatief instrument dat is gebaseerd op het instrumentarium van het NCKO.

Daarbij heeft Sardes aangegeven dat dit alternatief instrument zowel inhoudelijk als procedureel zoveel overlapt met het observatie-instrument van de GGD dat het mogelijk is om zowel op het niveau van doelen als indicatoren te correleren. Achtergrond hierbij is:

  • de wetenschappelijke basis van het alternatief instrument is identiek aan die van de wetenschappelijke versie van het NCKO;

  • de wetenschappelijke versie van het NCKO is als leidraad gebruikt voor het huidige observatie-instrument van de GGD;

  • met de zes interactievaardigheden in de omgang met kinderen in het alternatief instrument kunnen alle vier de pedagogische basisdoelen uit de wet worden gerealiseerd (conform het huidige observatie-instrument van de GGD);

  • het alternatief instrument is kort en gebruiksvriendelijk en kan na een korte training worden afgenomen;

  • er kan met een relatief korte tijdsinspanning een goede inschatting worden verkregen van de pedagogische kwaliteit.

Vraag 3

Kunt u tevens bevestigen dat de inspecteurs die met het alternatieve meetinstrument werkten onvoldoende getraind waren in het toepassen van het schaduwinstrument en ook niet onafhankelijk van elkaar hebben gewerkt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Nee. Sardes geeft aan dat de inspecteurs zijn getraind in het afnemen van het huidige observatie-instrument. Voor het werken met het alternatief instrument hebben de inspecteurs een instructiebijeenkomst bijgewoond waarin zij instructie kregen over de afname van het alternatief instrument. Tijdens die bijeenkomst zijn er afspraken gemaakt over hoe de inspecteurs tijdens de observaties moesten handelen. Eén van de afspraken betreft het onafhankelijk van elkaar afnemen van het huidige observatie-instrument en het schaduwinstrument. Een andere afspraak was: geen inhoudelijk overleg voeren tijdens de observatie of na de observatie bij het scoren.

Vraag 4

Kunt u ook bevestigen dat de statistische bewerkingen die zijn gebruikt en de manier waarop de bevindingen zijn geïnterpreteerd te rooskleurig zijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Nee. Ik heb er vertrouwen in dat de statistische analyses adequaat zijn uitgevoerd en dat de interpretatie van de bevindingen door de onderzoekers passend is. Ik heb van Sardes begrepen dat de analyses en de interpretatie van de uitkomsten van de analyses in lijn zijn met de uitkomsten van gelijksoortig onderzoek.

Vraag 5

Indien uw antwoord op de vragen 2 tot en met 4 bevestigend luidt, tot welke conclusie brengt dit u? Wilt u uw antwoord motiveren?

Antwoord 5

Zoals eerder gemeld heb ik er vertrouwen in dat de onderzoekers het onderzoek adequaat hebben uitgevoerd. Ik constateer dat er vragen zijn ontstaan over de onderzoeksmethoden en de voor- en nadelen van de hierbij gemaakte keuzen. De conclusie die ik hieraan verbind is dat op dit punt de onderzoeksverantwoording duidelijker had kunnen zijn.

Vraag 6

Wat was precies het doel van het onderzoek, wat was de exacte formulering daarvan in de offerteaanvraag waarmee het onderzoek is uitgezet en wilt u de offerteaanvraag aan de Tweede Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

In de offerteaanvraag is het doel van het beleidsonderzoek als volgt weergegeven:

Komen tot een uitspraak over de validiteit van het instrument observatie pedagogische praktijk. Indien het instrument niet valide blijkt te zijn, welke aanpassingen zijn daarvoor nog nodig?

Als bijlage bij deze brief ontvangt u de offerteaanvraag.2

Vraag 7

Hoe verhoudt dit in de offerteaanvraag omschreven doel van het onderzoek zich tot de reactie van het ministerie dat «het herijken van het observatie-instrument aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten en aan de hand van vergelijkbare observatie instrumenten» het doel zou zijn geweest?

Antwoord 7

Het doel van het onderzoek ligt in het verlengde van het achterliggende beleidsdoel. Het achterliggende beleidsdoel betrof het herijken van het observatie-instrument aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten en aan de hand van vergelijkbare observatie-instrumenten. Dit linkt aan de passage in de offerteaanvraag waarin gevraagd wordt naar eventuele aanpassingen in het instrument als het instrument (op onderdelen) onvoldoende of niet valide blijkt te zijn.

Vraag 8

Kunt u bevestigen dat in reactie op een vraag van de schrijfster van het artikel in «De Correspondent» kennelijk per abuis de door ambtenaren van uw ministerie gewisselde e-mails over dit onderwerp aan haar zijn toegestuurd?

Antwoord 8

Ja.

Vraag 9

Kunt u in het licht daarvan tevens bevestigen dat een woordvoerder van uw ministerie als volgt heeft gereageerd: «Ik ben ervoor te waken om de diepte in te gaan en haar (de betreffende journaliste) te veel informatie te geven, maar ik heb nu toch het gevoel dat zij duidelijke vragen stelt en we aan het duiken zijn»?

Antwoord 9

Ja.

Vraag 10

Kunt u eveneens bevestigen dat de directeur kinderopvang van uw ministerie heeft opgemerkt: «Ik vind zelf dat we bij eerdere antwoorden al veel te diep op de materie zijn ingegaan. Dat leidt ertoe dat onze antwoorden net iets anders zijn dan in het onderzoeksrapport zelf of net iets anders dan in de offerteaanvraag. Vervolgens worden dan weer vragen gesteld over die verschillen. En zo komen we steeds verder van huis»?

Antwoord 10

Ja.

Vraag 11

Hoe beoordeelt u deze handelwijze dat, indien «duidelijke vragen worden gesteld», ervoor «gewaakt moet worden om de diepte in te gaan» en er geen heldere antwoorden worden gegeven, maar er zelfs bij de betrokken woordvoerder van uw ministerie «het gevoel» is dat er sprake is van «duiken»?

Antwoord 11

Als er verzocht wordt om informatie te geven geldt dat de juiste informatie gegeven moet worden. Dat geldt ook voor vragen die ten behoeve van het betreffende artikel zijn gesteld. Mocht er uit de genoemde mails een ander beeld gekomen zijn, dan betreur ik dat.

Vraag 12

Welke opdracht hebben uw ambtenaren op het moment dat er (duidelijke) vragen door journalisten, burgers of Kamerleden worden gesteld? Kunt u uw antwoord motiveren?

Antwoord 12

Voor alle vragen geldt dat de juiste beschikbare informatie gegeven moet worden. Dat geldt zowel voor vragen van journalisten als voor vragen van burgers of Kamerleden.

Vraag 13

Herinnert u zich dat u in september 2014 aan de Tweede Kamer heeft laten weten dat u «met het project Het Nieuwe Toezicht meer ruimte wil bieden voor kwaliteit» en dat u daarbij «nadrukkelijk de kennis en expertise van verschillende wetenschappers (...) meeneemt» en voorts dat «de inzet gericht is op kwaliteitsverbetering en niet op een slap aftreksel van het gemiddelde»?

Antwoord 13

Binnen het project Het Nieuwe Toezicht wordt de kennis van wetenschappers en andere experts structureel gebruikt. Met mijn brief van november 2014 heb ik u inzicht gegeven in de uitgangspunten die ik voor de herijking van de kwaliteitseisen gebruik. Deze uitgangspunten zijn mede gebaseerd op gesprekken met verschillende wetenschappers. Zoals ik u tijdens het algemeen overleg van 5 februari jl. heb laten weten heeft en houdt de wetenschap een prominente rol, zowel bij de herijking van de kwaliteitseisen als bij de implementatie ervan.

Vraag 14

Vindt u dat uw (te ontwikkelen en in te voeren) beleid met betrekking tot de kwaliteit van de kinderopvang gebaseerd moet zijn op de uitkomsten van gevalideerd wetenschappelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 14

Bij de ontwikkeling van beleid betrek ik de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en vraag ik regelmatig wetenschappers om input en advies.

Vraag 15

Indien u vraag 14 bevestigend beantwoordt, wat betekent dit dan concreet voor het in de voorgaande vragen bedoelde bekritiseerde onderzoek en wilt u daarop, met de kennis van nu, uw beleid met betrekking tot de kwaliteit van de kinderopvang baseren? Zo ja, wilt u uw antwoord motiveren?

Antwoord 15

Ik betreur dat over het doel en over de gemaakte keuzes in de opzet van het onderzoek verwarring is ontstaan. Het onderzoek is gegund aan Sardes op basis van de gebruikelijke aanbestedingsprocedure. De onderzoekers hebben één van de onderdelen van het huidige inspectie-instrumentarium van de GGD onderzocht.

In het kader van het project Het Nieuwe Toezicht wordt momenteel gewerkt aan nieuwe kwaliteitsregels. Bij het bepalen van de nieuwe kwaliteitseisen wordt het instrumentarium van de toezichthouder tevens onder de loep genomen.

Indien uw vraag betrekking heeft op de totstandkoming van beleid ten aanzien van de kwaliteit van de kinderopvang in de breedste zin geldt hiervoor dat ik bij de vorming van dit beleid de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek betrek en wetenschappers uitnodig om input en advies te geven.

Vraag 16

Bent u bereid een nieuw onderzoek uit te zetten dat de toets der kritiek kan doorstaan en gekenmerkt wordt door wetenschappelijke validiteit?

Antwoord 16

Zoals eerder gemeld heb ik er vertrouwen in dat de onderzoekers het onderzoek adequaat hebben uitgevoerd.

Vraag 17

Bent u bereid met uw antwoord op deze vragen wel «de diepte in te gaan» en dan niet het gevoel op te roepen dat u met uw ambtenaren «duikt»?

Antwoord 17

Ja.


X Noot
1

«De Correspondent», «Hoe de GGD wegkomt met slechte wetenschap (en de overheid dat goedpraat)»: door Marilse Eerkens (17 februari 2015)

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven