Vragen van het lid Jasper vanDijk (SP) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de «EUPE affaire» (ingezonden 24 juli 2014).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 6 maart
2015). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2738.
Vraag 1
Is het waar dat u op 7 juni 2010 de European University for Professional Education
(EUPE) heeft gesloten vanwege tekortschietende kwaliteit?1
Antwoord 1
Ja, de toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op die
datum op grond van artikel 6.12 lid 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), zoals die toen luidde, het besluit genomen de aanwijzing van de European University
for Professional Education (EUPE) als hogeschool in te trekken. De instelling voldeed
niet aan hetgeen in de wet bepaald was omtrent de kwaliteitszorg, het onderwijs, de
examens en de vooropleidingseisen en het verstrekken van de nodige inlichtingen aan
de Minister omtrent de instelling.
Vraag 2
Heeft u toen beloofd om «alles in het werk te stellen om de studenten onder dak te
brengen bij vervangende opleidingen en in vervangende huisvesting»? In hoeverre is
dat gelukt?2
Antwoord 2
Er is toen beloofd dat stappen gezet zouden worden om de studenten behulpzaam te zijn
bij het maken van de overstap naar een vergelijkbare opleiding, zodat zij alsnog een
opleiding konden afronden. Zoals in de brief aan uw Kamer van 7 juni 2010 (Tweede
Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 288, nr. 103) aangekondigd, zijn stappen genomen om de «zittende» studenten de gelegenheid te
bieden hun opleiding te vervolgen. Daartoe heeft overleg plaatsgevonden met de Haagse
Hogeschool en de Hogeschool Inholland, die zich bereid verklaarden deze studenten
de mogelijkheid te bieden de overstap te maken. De «zittende» studenten zijn vervolgens
aangeschreven om de overgangsregeling onder hun aandacht te brengen. Slechts een beperkt
aantal studenten heeft hier gebruik van gemaakt; in veel gevallen was het niveau van
het Engels van de studenten ontoereikend.
Vraag 3
Is het waar dat er voor circa 100 buitenlandse studenten geen oplossing is gevonden,
terwijl zij wel het collegegeld van 10.000 euro hebben betaald?3
Antwoord 3
Bekend is dat niet alle studenten hun opleiding aan een hogeschool konden of wilden
vervolgen dan wel – waar het de nog in India verblijvende personen betrof – als nieuwe
student konden worden ingeschreven, terwijl zij wel het bedrag van ongeveer € 10.000,
waarin inbegrepen het collegegeld, aan EUPE hadden betaald. Tot het moment dat de
open brief van 3 september 2010 van de heer Vis het ministerie bereikte, was onbekend
om hoeveel studenten het ging. EUPE heeft er uit eigen beweging voor gekozen de studenten
de kosten voor de opleiding vooraf te laten betalen.
Vraag 4 en 5
Is het waar dat het door de studenten betaalde collegegeld «op een door de Nederlandse
justitie geblokkeerde rekening» staat waar niemand bij kan?4
Zou het niet redelijk en billijk zijn om dit geld aan de studenten terug te geven,
aangezien zij nooit de gekozen opleiding hebben kunnen volgen? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, wanneer gaat dit gebeuren?
Antwoord 4 en 5
Het beslag, waar in vraag 4 op wordt gedoeld, was gelegd op bankrekeningen van EUPE.
Het OM heeft het geld nimmer fysiek onder zich gehad. In de periode van 2010 en 2011
is in opdracht van de officier van justitie en de rechter het beslag op deze rekeningen
opgeheven. Er bestond wat betreft de betaling van de kosten geen relatie tussen de
studenten en de overheid, waardoor het niet aan de overheid was om dit geld aan de
studenten terug te geven; dat is een zaak tussen de student en de instelling.
Vraag 6
Hoe kwalificeert u deze gang van zaken? Hoe voorkomt u in de toekomst dat buitenlandse
studenten naar Nederland worden gelokt voor een (particuliere) opleiding die wel is
geaccrediteerd, maar tegelijk buitengewoon omstreden is?
Antwoord 6
Ik kwalificeer de gang van zaken als zeer betreurenswaardig. De wetgeving voor de
rechtspersonen voor hoger onderwijs is sinds dit voorval aangescherpt, zodat de Minister
direct geïnformeerd is over wijzigingen in de financiële en bestuurlijke constellatie
van een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de registratie van een opleiding of de
beëindiging daarvan zodat de Inspectie snel onderzoek kan doen en zo nodig ingegrepen
kan worden. Ook is de Gedragscode internationale student hoger onderwijs aangescherpt,
door een bepaling op te nemen dat buitenlandse studenten jaarlijks een minimale studievoortgang
moeten behalen omdat anders de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, tenzij er sprake
is van persoonlijke omstandigheden.
Met de komst van de Wet modern migratiebeleid (1 juni 2013) is bovendien het verplicht
erkend referentschap voor onderwijsinstellingen geïntroduceerd. Onderwijsinstellingen
moeten door de IND erkend zijn als referent voordat zij studenten kunnen uitnodigen
om naar Nederland te komen. Om erkend te kunnen worden, moet de instelling een betrouwbare
partner zijn voor de IND en voldoen aan enkele specifieke voorwaarden. Zo moet de
onderwijsinstelling (voor het hoger onderwijs) geaccrediteerd onderwijs aanbieden
en aangesloten zijn bij de Gedragscode internationale student in het hoger onderwijs.
X Noot
3«Open brief aan de overheid» van P. D. Vis, 3 september 2010 (zie bijlage)
X Noot
4Volkskrant, 4 augustus 2010