Vragen van het lid Dijkgraaf (SGP) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over
de uitspraak van de Raad van State over beweiding en bemesting in het kader van de
Natuurbeschermingswet (201305073/1/R2) (ingezonden 6 februari 2015).
Antwoord van Staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) (ontvangen 4 maart 2015).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de Raad van State over vergunningverlening
in het kader van de Natuurbeschermingswet voor beweiding en bemesting?
Vraag 2, 3
Is de veronderstelling juist dat deze uitspraak betekent dat (effecten van) beweiding
en bemesting integraal deel moeten (gaan) uitmaken van vergunningaanvragen in het
kader van de Natuurbeschermingswet en de beoordeling daarvan?
Is de veronderstelling juist dat deze uitspraak betekent dat bemesting niet (zonder
meer) gezien mag worden als bestaand gebruik, hoewel de gebruiksnormen en de regels
voor het uitrijden de afgelopen jaren eerder zijn aangescherpt dan versoepeld?
Antwoord 2, 3
De uitspraak maakt duidelijk dat een vergunningplicht kan gelden op grond van de Natuurbeschermingswet
1998 (hierna: Nbw) voor het weiden van dieren en uitrijden van mest nabij een Natura
2000-gebied waar zich stikstofgevoelige habitats bevinden wanneer verslechtering van
die habitats als gevolg van de activiteiten niet op voorhand kan worden uitgesloten.
De uitspraak maakt ook duidelijk dat een vrijstelling van de vergunningplicht kan
gelden wanneer er sprake is van «bestaand gebruik». De activiteit kan worden aangemerkt
als «bestaand gebruik» wanneer onderbouwd kan worden dat de activiteit op de betrokken
percelen niet wezenlijk is gewijzigd sinds 31 maart 2010. Een enkele verwijzing naar
gegevens met betrekking tot de uitvoering van de meststoffenwetgeving is blijkens
de uitspraak onvoldoende.
Gedeputeerde staten van de betrokken provincie zijn bevoegd gezag voor de vergunning
op grond van de Nbw en zullen moeten beoordelen of in het concrete geval sprake is
van «bestaand gebruik».
Vraag 4
Is de veronderstelling juist dat deze uitspraak betekent dat voor beweiding en bemesting
tot op perceelsniveau berekend moet worden welke depositie deze veroorzaken op stikstofgevoelige
natuur in een nabijgelegen Natura 2000-gebied? Zijn dergelijke berekeningen überhaupt
verantwoord mogelijk?
Antwoord 4
Het is niet uit te sluiten dat de depositie op perceelsniveau moet worden bepaald
om aan te tonen dat geen sprake is van verslechtering van de kwaliteit van de habitats
in een nabij gelegen Natura 2000-gebied. Evenmin is uit te sluiten dat de depositie
op perceelsniveau moet worden bepaald om aan te tonen dat sprake is van ongewijzigd
«bestaand gebruik».
Vraag 5, 6, 7
Welke consequenties kan deze uitspraak hebben voor bedrijven die al een vergunning
op grond van de Natuurbeschermingswet hebben, maar waarin beweiding en bemesting niet
specifiek is opgenomen?
Welke consequenties kan deze uitspraak hebben voor de huidige praktijk van vergunningverlening
op grond van de Natuurbeschermingswet?
Welke consequenties kan deze uitspraak hebben voor de Programmatische Aanpak Stikstof
en de wijze waarop daarin de emissie en depositie als gevolg van beweiding en bemesting
berekend en meegenomen worden?
Antwoord 5, 6, 7
Het is denkbaar dat in vergelijkbare zaken handhavingsverzoeken zullen worden ingediend
naar aanleiding van de uitspraak. Wanneer in een dergelijk geval vanwege de ligging
van het perceel op voorhand niet kan worden uitgesloten dat verslechtering van het
Natura 2000-gebied kan plaatsvinden, moet op grond van de geldende wettelijke regels
een vergunning worden aangevraagd. Een uitzondering hierop geldt voor «bestaand gebruik»
en voor activiteiten die zijn vrijgesteld in het beheerplan. Deze uitzonderingen gelden
ook na inwerkingtreding van de programmatische aanpak stikstof.
In het geval toch een vergunning moet worden aangevraagd voordat het programma in
werking treedt, kan een eventueel verslechterend effect worden voorkomen door interne
of externe saldering.
In het geval een vergunningaanvraag aan de orde is nadat het programma in werking
is getreden, zal geen ontwikkelingsruimte nodig zijn voor de activiteit ingeval vaststaat
dat hier sprake is van in het verleden reeds bestaand gebruik. Uit de betrokken gebiedsanalyses
en de generieke passende beoordeling van het programma blijkt dat de bestaande depositie
geen verslechtering kan opleveren voor de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden
omdat deze deel uitmaakt van de achtergronddepositie.
Vraag 8
Wat is uw inzet om negatieve consequenties van deze uitspraak voor erkenning van bestaand
gebruik, voor vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet en een goed
functioneren van de Programmatische Aanpak Stikstof, en voor het stimuleren van beweiding
te voorkomen?
Antwoord 8
Ik verwijs hiervoor naar de brief over vrijstelling vergunningplicht Natuurbeschermingswet
1998 voor beweiding en bemesten, die gelijktijdig met de beantwoording van deze vragen
aan uw Kamer is gezonden.