Vragen van de leden Van Weyenberg en Bergkamp (beiden D66) aan de Ministers van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het artikel
«culturele topinstellingen worstelen met regels bij aantrekken van talent van buiten
EU» (ingezonden 19 december 2014).
Antwoord van Minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 21 januari 2015).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «culturele topinstellingen worstelen met regels bij
aantrekken van talent van buiten EU»?1
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat drie voor Nederland toonaangevende culturele instellingen verklaren
door de regelgeving moeite te hebben met het aantrekken van talent van buiten de Europese
Unie (EU)? Onderschrijft u dat voor het behouden van hun topniveau het van groot belang
is dat deze instellingen de beste kandidaten kunnen aannemen, ook als deze niet uit
de EU komen?
Antwoord 2
Het algemene uitgangspunt van ons toelatingsbeleid is dat vacatures in Nederland in
eerste instantie moeten worden vervuld door Nederlandse werknemers of werknemers uit
andere lidstaten. Zeker in deze tijd van hoge werkloosheid, veel uitkeringsgerechtigden
en veel migranten van binnen de EU mag niet te snel naar aanbod van buiten de EU worden
gekeken voor de vervulling van vacatures.
Daarnaast onderken ik dat er sectoren zijn waar dit strakke beleid niet op zijn plaats
is. Ik denk daarbij ook aan de kunstensector, waarin Nederland op onderdelen toonaangevend
in de wereld is. Om hun toonaangevende positie te kunnen behouden, is het nodig dat
de desbetreffende instellingen internationaal toptalent kunnen aannemen. Daarom geldt
voor bepaalde functies in het topsegment een lager salariscriterium dan dat van de
Kennismigrantenregeling. Voor de sectoren dans, klassieke muziek, opera, musical en
toneel gelden lagere salariseisen, die van de desbetreffende cao zijn afgeleid, de
zogenoemde «zaaglijn» (paragraaf 34 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
2014, Stcrt. 2014, nr. 8189). Als dat salaris wordt betaald, dan kan een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde
vergunning voor verblijf en arbeid worden afgegeven voor een periode van maximaal
drie jaar in plaats van een jaar. De acteur, musicus of danser kan in dienst worden
genomen ook al is er binnenlands aanbod aanwezig en zonder dat eerst, door middel
van wervingsprocedures, hoeft te worden aangetoond dat dit talent niet binnen de Europese
Unie te vinden is. Deze regeling is in overleg met de sector tot stand gekomen.
Vraag 3
Wat is uw reactie op het feit dat het Rijksmuseum, om een nieuwe vergunning voor een
werknemer te krijgen, nu jaarlijks een kostbare procedure moet starten om uit te sluiten
of de functie niet alsnog door iemand binnen de EU vervuld kan worden? Bent u van
mening dat deze regelgeving tot gevolg kan hebben dat werkgevers geen toptalent van
buiten de EU meer willen aannemen, omdat de procedure te ingewikkeld en kostbaar is
geworden? Zou het er toe kunnen leiden dat talent niet meer naar Nederland wil komen,
omdat een tewerkstellingsvergunning die slechts een jaar geldig is te weinig zekerheid
biedt? Ben u bereid de termijn van een tewerkstellingsvergunning weer te verlengen
van één naar drie jaar? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Antwoord 3
Voor de museumwereld bestaat geen regeling zoals die in het antwoord op vraag 2 is
genoemd. Nu de directeur van het Rijksmuseum hiervoor aandacht vraagt, ben ik graag
bereid met de museumsector te overleggen of dit een probleem is dat vergelijkbaar
is met dat in de andere kunstsectoren en hoe dit kan worden opgelost.
Vraag 4
Wat vindt u ervan dat het Concertgebouworkest niet direct voor alle vrijgekomen «stoelen»
wereldwijd mag werven, terwijl de kans reëel is dat binnen de EU niet voldoende toptalent
te vinden is? Wat vindt u ervan dat het Concertgebouw pas in tweede instantie wereldwijd
mag werven, terwijl een extra sollicitatieronde ongeveer 40.000 euro kost?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 6
Vraag 5
Kunt u reageren op de oproep van zowel het Rijksmuseum als het Nationaal Ballet om
in de regeling voor kennismigranten een uitzondering op de inkomenseis op te nemen
voor de culturele sector, waar salarissen lager liggen dan in andere sectoren? Kunt
u in uw antwoord ook ingaan op kennismigranten waarvoor de inkomensgrens nu niet geldt,
zoals promovendi die hier bij een universiteit of onderzoeksinstelling gaan werken?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 6
Vraag 6
Bent u bereid in gesprek te gaan met de drie culturele topinstellingen om ervoor te
zorgen dat zijn hun toppositie kunnen behouden en de beste mensen kunnen aannemen
zonder hiervoor onnodig hoge kosten te maken? Wilt u de Kamer informeren over de uitkomsten
van dit gesprek?
Antwoord 4, 5 en 6
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, bestaan er voor musici en balletdansers
specifieke salarisgrenzen, die lager liggen dan de salariseisen van de Kennismigrantenregeling.
Nu het Concertgebouworkest en het Nationaal Ballet via de media laten weten, dat zij
met deze regeling moeilijk uit de voeten kunnen, ben ik bereid ook met hen te overleggen
wat de aard wat deze problemen zijn, en in hoeverre deze kunnen worden ondervangen.
Van de uitkomst van deze gesprekken zal ik de Kamer op de hoogte stellen.
X Noot
1Het Financieele Dagblad, «Culturele topinstellingen worstelen met regels bij aantrekken
van talent van buiten EU», 15 december 2014