Vragen van het lid Recourt (PvdA) aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
over de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf (ingezonden 20 december
2013).
Mededeling van Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 15 januari
2014).
Vraag 1
Kent u de beslissing van het Constitutionele Hof van Sint Maarten van 8 november 2013?1 Herinnert u zich de antwoorden op de eerdere vragen over de uitvoering van levenslange
gevangenisstraf?2
Vraag 2
Is de overweging van het Constitutionele Hof om de levenslange gevangenisstraf uit
het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten te schrappen vanwege het feit dat
die wet geen bepaling bevat op grond waarvan op het moment dat «er geen legitieme
penologische doeleinden meer gediend worden met voortzetting van de detentie» die
straf moet worden beëindigd, voor u aanleiding de Nederlandse gratieregeling te herbezien
of te vervangen door een tussentijdse toets? Zo ja, hoe gaat u daar gevolg aan geven?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
In hoeverre wijken de overwegingen en de conclusie van het Constitutionele Hof af
van de overwegingen en conclusie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(EHRM) in de zaak Vinter e.a.?3
Vraag 4
Op grond waarvan is het in de vorige antwoorden genoemde ene geval van gratieverlening
van een levenslang gestrafte gehonoreerd? Hoeveel gratieverzoeken van de afgelopen
tien jaar zijn door levenslang gestraften gedaan en op grond waarvan zijn die gratieverzoeken
afgewezen?
Vraag 5
Kent u het artikel «De rechter, de minister en de levenslange gevangenisstraf»?4 Deelt u de mening dat van het feit dat diverse beslissingen van Nederlandse strafrechters
geen levenslange gevangenisstraf op te leggen, nu die straf onder het huidige beleid
te weinig perspectief op vrijlating biedt, een signaal uitgaat dat de wijze waarop
levenslange gevangenisstraf in Nederland nu is vormgegeven niet voldoet? Zo ja, welke
conclusie trekt u daaruit? Zo nee, hoe moeten deze rechterlijke uitspraken dan wel
worden geduid?
Vraag 6
Kent u het arrest van het EHRM van 10 december 2013 in de zaak Murray tegen het Koninkrijk
der Nederlanden (appl. 10511/10)? Deelt u de mening dat vanwege het feit dat het Wetboek
van Strafrecht van Curaçao een bepaling kent op grond waarvan een tot levenslang veroordeelde
na 20 jaar detentie in vrijheid gesteld dient te worden indien verdere straf geen
redelijk doel meer dient (artikel 1:30), het EHRM geen strijd ziet tussen deze vorm
van levenslange gevangenisstraf en het folterverbod van artikel 3 Europees Verdrag
tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)? Zo
ja, is deze uitspraak en het feit dat een ander land binnen het Koninkrijk een dergelijke
bepaling kent, voor u aanleiding ook voor Nederland een dergelijke bepaling in het
Wetboek van Strafrecht op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 7
Geldt het resocialisatiebeginsel, zoals neergelegd in artikel 2, tweede lid, Penitentiaire
beginselenwet ten aanzien van levenslanggestraften? Zo ja, hoe wordt daar in de praktijk
uitvoering aan gegeven? Welke inspanningen verricht de staat om levenslanggestraften
te resocialiseren met als uiteindelijke doel terugkeer in de vrije maatschappij? Zo
nee, waaruit blijkt dat het genoemde artikel niet voor levenslang gestraften geldt?
Vraag 8
In hoeverre wordt bij inspanningen gericht op resocialisatie en eventuele terugkeer
in de vrije maatschappij rekening gehouden met de positie en mening van slachtoffers
van de levenslang gestraften?
Vraag 9
Bent u bereid het voornemen van uw voorgangers tot uitgangspunt te nemen en een volgprocedure
in te stellen die er onder meer in voorziet levenslanggestraften om de vijf jaar aan
een psychiatrisch/psychologisch en somatisch geneeskundig onderzoek te onderwerpen
en klinische observatie bij hen te verrichten ter advisering omtrent het te volgen
detentiebeleid en een geïndividualiseerde detentieplanning? Zo ja, op welke wijze
en op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 10
Hoeveel levenslanggestraften zitten momenteel in Nederland een straf uit die van een
vreemde staat, dan wel van een ander Koninkrijksdeel, is overgenomen? Wordt ten aanzien
van deze gedetineerden rekening gehouden met de eventuele bijzondere regelingen voor
de mogelijkheid tot verkorting van hun straf die bestaan in het land van veroordeling?
Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Mededeling
Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Recourt (PvdA) van
uw Kamer aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over de tenuitvoerlegging
van de levenslange gevangenisstraf (ingezonden 20 december 2013) niet binnen de gebruikelijke
termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is
ontvangen.
Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
X Noot
2Kamerstukken II, Vergaderjaar 2013–2014, Aanhangsel van de Handelingen nr. 72.
X Noot
3EHRM Grote Kamer 9 juli 2013, Vinter e.a. t. het Verenigd Koninkrijk, appl. nos. 66069/09,
130/10 en 3896/10.
X Noot
4Trema 2013-09-01, 36(2013) 7:220-225