Vragen van het lid Geurts (CDA) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over essentaksterfte (ingezonden 24 oktober 2013).

Antwoord van Staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) (ontvangen 27 november 2013).

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «De es mag niet weg»?1

Antwoord 1

Het bewuste artikel is mij bekend.

Vraag 2

Bent u bekend met het probleem van essentaksterfte in Nederland en het gevaar dat deze ziekte vormt voor plantsoenen, bossen en het Nederlandse landschap?

Antwoord 2

Ik ben bekend met de essentaksterfte en besef dat de es een belangrijke boomsoort is in ons land voor het stedelijk groen, bos, natuur en landschap.

Vraag 3

Bent u voornemens om actie te ondernemen tegen deze oprukkende ziekte?

Antwoord 3

Voor zover mij bekend zijn er (nog) geen mogelijkheden om de essentaksterfte – anders dan via het verwijderen van aangetaste bomen – te bestrijden. Ik zie hier primair een belangrijke taak weggelegd voor kwekers en groenbeheerders.

Vraag 4

Aangezien essentaksterfte een gevaar is voor het voortbestaan voor de Nederlandse es, wilt u betrokken partijen, zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Bosschap, Landschapsbeheer Nederland en boomkwekers steunen in het onderzoeken van essentaksterfte?

Antwoord 4

De gewone es (Fraxinus excelsior) is in ons land inheems en blijkt vatbaar voor de essentaksterfte. Het (internationale) onderzoek naar de essentaksterfte leert tot nu toe dat niet iedere individuele boom in gelijke mate gevoelig is voor de essentaksterfte. Dat biedt naar verwachting kansen voor het voortbestaan van de soort. Ik denk dat het daarom een goede zaak is het lopende onderzoek voort te zetten.

Vraag 5

Deelt u de mening dat Nederland zelf onderzoek zou moeten verrichten, zodat Nederland deel kan nemen aan het Europees onderzoek naar essentaksterfte?

Antwoord 5

Ik ondersteun internationale samenwerking op het gebied van onderzoek om grensoverschrijdende problemen, zoals nu met de essentaksterfte, het hoofd te bieden. Ik vertrouw op onderzoekdeskundigheid die bij DLO aanwezig is om daarvoor een gepaste bijdrage te leveren.

Vraag 6

Bent u ervan op de hoogte dat de tuinbouwsector twee jaar het onderzoek naar essentaksterfte heeft gefinancierd?

Antwoord 6

In 2012 is gestart met onderzoek naar de essentaksterfte met een looptijd van 3 jaar. In 2012 heeft het Productschap Tuinbouw aan het onderzoek een financiële bijdrage geleverd. Voor de jaren 2013 en 2014 heeft het Productschap Tuinbouw geen financiële middelen beschikbaar gesteld.

Vraag 7

Door de opheffing van het productschap Tuinbouw stopt deze financiering, bent u bereid zich in te spannen om alternatieve financiering te zoeken voor dit onderzoek? Zo nee, wat voor aanpak voorziet u dan tegen essentaksterfte?

Antwoord 7

Zoals in de ondertitel van het door u aangehaalde artikel staat vermeld, «Onderzoek essenresistentie: nu sector en gebruiker aan zet», is ook in mijn ogen de sector – nog steeds – aan zet. Het onderzoek is namelijk belangrijk voor de Nederlandse boomkwekerijsector. De es wordt in de boomkwekerijsector gebruikt als uitgangsmateriaal voor de bosbouw of als onderstam voor sierbomen. Dat maakt dat van de kant van het boomkwekerijbedrijfsleven verwacht mag worden dat dit onderzoek – ondanks het wegvallen van het Productschap Tuinbouw- wordt gefinancierd.


X Noot
1

het maandblad Boom in business (jaargang 4, nr. 7)

Naar boven