Vragen van het lid Jasper van Dijk (SP) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap over nevenfuncties van hoogleraren (ingezonden 12 november 2013).
Antwoord van minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) mede namens de
staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 18 november 2013).
Vraag 1
Is het waar dat nevenfuncties van hoogleraren openbaar dienen te zijn, zoals uw ambtsvoorganger
aangaf in antwoord op eerdere vragen inzake het openbaar maken van nevenfuncties van
hoogleraren?1
Antwoord 1
Ja. In het kader van transparantie over nevenfuncties is afgesproken dat hoogleraren
nevenfuncties kenbaar maken op hun profielpagina’s op de website van de universiteit
waar zij werkzaam zijn.
Vraag 2
Wanneer heeft u voor het laatst een rapportage van nevenfuncties van hoogleraren gekregen?
Kunt u deze aan de Kamer doen toekomen?
Antwoord 2
In 2008 is door de VSNU aan mijn ambtsvoorganger gerapporteerd over de stand van zaken
(per instelling) met betrekking tot de uitvoering van de in het antwoord op vraag
1 genoemde afspraken. Dit betrof echter geen rapportage over nevenfuncties als zodanig.
Ik kan u een dergelijke rapportage dus niet toezenden.
In de reactie op de rapporten van KNAW en WRR/Rathenau Instituut over vertrouwen in
wetenschap (TK, 27 406 nr. 207) heb ik gemeld de universiteiten te zullen vragen naar de huidige stand van zaken
met betrekking tot de afspraken over openbaarmaking van nevenfuncties van hoogleraren.
Deze navraag heb ik inmiddels gedaan via de koepel van universiteiten.
De koepel van universiteiten meldt afgelopen maand de naleving van de afspraken bij
de instellingen te hebben getoetst. Uit de toetsing blijkt dat nagenoeg alle hoogleraren
hun nevenfuncties vermelden op de profielpagina’s op de website van de universiteit
en dat universiteiten op verschillende manieren borgen dat die informatie zo actueel
mogelijk is. Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld via toetsing van de juistheid van gegevens
of door het terugkerend te bespreken in functioneringsgesprekken. De koepel van universiteiten
heeft laten weten daarnaast periodiek de naleving van de gedragscodes te controleren.
Vraag 3
Deelt u de mening dat openbaarheid van groot belang is, gezien het feit dat 60 procent
van de onderzochte hoogleraren bijklust en 44 procent banden heeft met de commerciële
sector?2
Antwoord 3
Ik deel de mening dat openbaarheid over nevenfuncties belangrijk is. Zie ook het antwoord
op vraag 2. Het grote percentage hoogleraren met nevenfuncties en de banden met het
bedrijfsleven zie ik als een uiting van de sterkere interactie tussen de instellingen
en de samenleving, zoals wordt beoogd met het beleid voor valorisatie (het omzetten
van resultaten van onderzoek in maatschappelijke en economische waarde), het topsectorenbeleid
en de inzet op de grand challenges uit Horizon 2020.
Vraag 4
Deelt u de mening dat meer nodig is om transparantie te krijgen, aangezien de nevenfuncties
op websites slecht worden bijgehouden?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Bent u bereid aan te dringen op een aanscherping van de Gedragscode van de Vereniging
van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, opdat er meer actuele en nauwkeurige
informatie over nevenfuncties wordt gegeven?
Antwoord 5
De Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening is door VSNU, NWO en KNAW gezamenlijk
opgesteld en ik vind deze code een goed instrument om de wetenschappelijke integriteit
te bewaken. Het is niet nodig deze aan te scherpen op het punt van het geven van actuele
informatie over nevenfuncties, zeker niet nu blijkt dat de universiteiten de gemaakte
afspraken hierover nakomen en de koepel van universiteiten dit actief heeft gecontroleerd.
Vraag 6
Hoe oordeelt u over het feit dat »vrijwel alle hoogleraren» toegeven dat belangenverstrengeling
voorkomt. Wat gaat u ondernemen om deze ontwikkeling te keren.
Antwoord 6
Samenwerking tussen universiteiten, hogescholen en bedrijven en maatschappelijke organisaties
vind ik zeer belangrijk, daarmee zijn belangen gediend van zowel de instellingen als
van partijen waarmee wordt samengewerkt. De Nederlandse gedragscode wetenschapsbeoefening
biedt een goede basis voor deze samenwerking.
In de reactie op de rapporten van KNAW en WRR-Rathenau Instituut is gemeld dat Staatssecretaris
Dekker en ik voorstander zijn van het breed verspreiden van de Nederlandse gedragscode
wetenschapsbeoefening en van good practices voor onderzoek met bedrijven. In de reactie is verder aangekondigd dat wij hierover
in gesprek zullen gaan met de topsectoren.
Vraag 7
Deelt u de mening dat de onafhankelijke wetenschap schade wordt toegebracht door het
grote aantal dubbele petten. Bent u bereid voorstellen te doen om het grote aantal
nevenfuncties aan banden te leggen.
Antwoord 7
Die mening deel ik niet. Ik vind samenwerking van hoogleraren met bedrijven en maatschappelijke
organisaties belangrijk. Die samenwerking kan verschillende vormen aannemen, zoals
de vorming van publiek/private consortia, opdrachtonderzoek, maar ook het vervullen
van nevenfuncties. Ik zie dan ook geen aanleiding het vervullen van nevenfuncties
aan banden te leggen.
X Noot
1Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 1634
X Noot
2De Groene, 1 november 2013