Vragen van het lid Jasper van Dijk (SP) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap over «de Superschool» (Ingezonden op 3 oktober 2013).
Antwoord van staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
18 november 2013).
Vraag 1
Wat is uw oordeel over de uitzending «de Superschool» van Tegenlicht?1
Antwoord 1
Ik ben onder de indruk van de bevlogenheid van dhr. Van ’t Zelfde, de directeur van
osg Hugo de Groot, die centraal stond in de uitzending «de Superschool». Ik ben blij
met enthousiaste personen uit het onderwijsveld, die ervoor willen zorgen dat de onderwijskansen
van kinderen centraal staan. Ik weet echter nog niet precies hoe het initiatief van
«de Superschool» eruit ziet.
Vraag 2
Hoe oordeelt u over het plan voor een «superschool» voor leerlingen van 2 tot en met
18 jaar?
Antwoord 2
De doelen die de initiatiefnemer nastreeft zijn prijzenswaardig en passen nadrukkelijk
binnen mijn eigen beleid, zoals het verminderen van schooluitval, het verbeteren van
de onderwijsresultaten, het stimuleren van excellentie en het verbeteren van de aansluiting
tussen kinderopvang, voor- en vroegschoolse educatie, primair onderwijs en voortgezet
onderwijs. Een oordeel over het plan kan ik pas vellen op basis van een projectplan
en nadere bestudering daarvan. Hierover zijn afspraken met de initiatiefnemer en het
betrokken schoolbestuur gemaakt.
Vraag 3
Vindt u het aanvaardbaar dat omringende scholen de «superschool» kunnen tegenhouden
als gevolg van de regels over het stichten van een nieuwe school? Bent u bereid (desgewenst
op basis van een experimenteerbepaling) een licentie voor een basisschool te verlenen?
Antwoord 3
Er is op dit moment geen sprake van het stichten van een nieuwe school; van tegenhouden
op basis van deze regels is nu dus ook geen sprake. Wel is het denkbaar dat bestaande
scholen, bijvoorbeeld van hetzelfde bestuur, aansluiten bij dit initiatief. Zie verder
mijn antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Hoe oordeelt u over de «koehandel» met van school verwijderde leerlingen? Deelt u
de mening dat er altijd opvangvoorzieningen (zoals time-outvoorzieningen) beschikbaar
moeten zijn voor dit soort leerlingen, opdat een dergelijke koehandel wordt voorkomen?
Antwoord 4
Alle leerplichtige jongeren hebben recht op onderwijs. Als dat (tijdelijk) niet kan
op de school waarop de leerling staat ingeschreven, dan zijn daar voorzieningen voor
zoals Rebound, Herstart en Op de Rails. Ik financier deze voorzieningen en ook de
extra voorzieningen die zijn opgenomen in de Regeling regionale aanpak voortijdig
schoolverlaten. Daarnaast kunnen scholen er voor kiezen om afspraken te maken over
het toelaten van elkaars leerlingen als een school een leerling wenst te verwijderen.
Vraag 5
Deelt u de mening dat middelbare scholen – met name in de bovenbouw – uitsluitend
universitair geschoolde docenten zouden moeten aanstellen? Wat gaat u doen om dit
te bereiken?
Antwoord 5
Ik ga stimuleren dat er meer masteropgeleiden in het voortgezet onderwijs komen. Deze
ambitie heb ik reeds in de lerarenagenda 2013–2020 (Kamerstuk 23 923, nr. 171) verwoord. In de sectorakkoorden maak ik hierover afspraken met de VO-raad. Ik voel
me in deze ambitie gesteund door de motie Duisenberg (33 750-VIII, nr. 21).
Vraag 6
Onderschrijft u het betoog van de directeur dat onvoldoende geld «in de klas terechtkomt»
omdat er teveel geld aan de strijkstok van het onderwijsmanagement blijft hangen?
Wat gaat u doen om deze situatie te verbeteren?
Antwoord 6
Dit betoog onderschrijf ik niet. De overhead in het funderend onderwijs is laag in
vergelijking met andere sectoren. Daarnaast is sinds 1 januari van dit jaar de Wet
bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) van kracht. Daarmee
wordt de bezoldiging van bestuurders gemaximeerd. Voor de bezoldiging van onderwijsbestuurders
is een sectoraal maximum vastgesteld, dat fors lager ligt dan het maximum op basis
van de WNT. Bovendien is dit verlaagde plafond in de sectoren primair en voortgezet
onderwijs op basis van een cao verder onderverdeeld in salarisklassen, zodat niet
iedere bestuurder dit verlaagde maximum kan bereiken. Hiermee wordt voorkomen dat
een onevenredig deel van de onderwijsmiddelen aan de beloning van de onderwijsbestuurders
wordt besteed. Verder is het aan schoolbesturen om de ruimte voor financiële keuzes
binnen de lumpsumfinanciering te benutten, op grond van de eigen meerjarige visie
en de financiële en onderwijsinhoudelijke prioriteiten. Uiteraard dienen deze keuzes
plaats te vinden binnen de daartoe gestelde wettelijke kaders over inzet van bekostiging,
verantwoording en toezicht.
Vraag 7
Deelt u over het algemeen de mening dat een bevlogen directeur met constructieve ideeën
over onderwijs moet worden gestimuleerd in plaats van belemmerd door bureaucratische
rompslomp?
Antwoord 7
Ja, ik ben enthousiast over initiatieven die bijdragen aan de onderwijskansen van
kinderen.
X Noot
1Tegenlicht, 30 september 2013