Vragen van het lid Van Klaveren (PVV) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de beveiliging van joodse instellingen (ingezonden 16 oktober 2013).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 18 november 2013). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 461.

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Veiligheid zware last voor joden»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Hoe oordeelt u over het gegeven dat joodse instellingen het enorme bedrag van 800.000 euro per jaar kwijt zijn aan beveiligingskosten?

Vraag 5

Bent u bereid maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat de extra beveiliging van joodse instellingen niet langer noodzakelijk is?

Antwoord 2, 5

Ik ben bekend met het feit dat de joodse instellingen kosten maken voor hun beveiliging.

Voor iedere burger, culturele, religieuze of onderwijsinstelling worden op gelijke wijze beveiligingsmaatregelen genomen op basis van dreiging en risico. Dreiging en risico wordt op geobjectiveerde wijze vastgesteld door de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarmee wordt op proportionele wijze voor veiligheid gezorgd. Bij het nemen van beveiligingsmaatregelen geldt een getrapte verantwoordelijkheid. De eigen verantwoordelijkheid van burgers en organisaties staat voorop. Ieder mag, binnen de grenzen van de wet, die maatregelen nemen die hij/zij nodig acht. De overheid kan aanvullende maatregelen nemen indien burgers of organisaties waartoe zij behoren op eigen kracht geen weerstand kunnen bieden tegen dreiging en risico.

Vorig najaar heb ik verschillende werkbezoeken gebracht aan joodse instellingen en is de situatie grondig geanalyseerd. Hierover is uitgebreid met uw Kamer gesproken (TK 2012–2013, 30 950, nr. 46) en vanzelfsprekend worden dreiging en risico continu gemonitord. Ik zie op dit moment geen aanleiding om op mijn eerdere standpunt terug te komen. Indien dreiging en risico daartoe aanleiding geven wordt direct actie ondernomen. Om een blijvend gevoel te houden bij de veiligheidsbeleving en -maatregelen van de joodse gemeenschap blijf ik jaarlijks met hen in gesprek.

Bewaken en beveiligen moet gezien worden als het sluitstuk van maatregelen. Het Kabinet zet stevig in op de aanpak van discriminatie in alle vormen. De aanpak van antisemitisme maakt, als een vorm van discriminatie, deel uit van de aanpak van high impact crimes en is onderdeel van de landelijke prioriteiten voor de politie. Bij commune delicten waarbij een discriminatoir aspect een rol heeft gespeeld wordt de strafeis verhoogd met 50%. Als het gaat om een ingrijpend delict wordt de strafeis verhoogd tot 100%. De bestrijding van antisemitisme vraagt ook om voorlichting en actief optreden vanuit de samenleving. Voor de in dat kader ondernomen acties verwijs ik u naar de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 2013 (TK, vergaderjaar 2012–2013, 30 950, nr. 49).

Vraag 3

In hoeverre bent u bekend met het rapport «Jong in Brussel» waaruit blijkt dat 50% van de islamitische scholieren antisemitisch is? Wat is hierover uw oordeel?

Vraag 4

Wanneer wordt er nu eens een specifiek onderzoek gedaan naar antisemitisme binnen de islamitische gemeenschap in Nederland?

Antwoord 4

Het onderzoek «Jong in Brussel: bevindingen uit de JOP-monitor2 Brussel» (2011) is mij bekend. De uitkomst dat 50% van de islamitische scholieren antisemitische denkbeelden hebben, is een zorgelijke uitkomst.

In Nederland ontbreekt tot nu toe een soortgelijk onderzoek. Wel is in opdracht van de Anne Frank Stichting recentelijk onderzoek gedaan naar antisemitisme in het voortgezet onderwijs3. Het onderzoek biedt een goede kijk op de ervaring van docenten op middelbare scholen met antisemitische en andere discriminerende incidenten. Zo leert dit onderzoek dat antisemitisme vaak voorkomt in relatie tot voetbal. Dit voetbal gerelateerd antisemitisme kent zijn oorsprong in rivaliteit tussen fanschares van verschillende voetbalclubs en manifesteert zich ook buiten voetbalstadions op middelbare scholen. Het merendeel van de jongeren die zich antisemitisch uitlaten zijn Nederlandse jongeren zonder migratieachtergrond. Als het gaat om antisemitisme in reactie op of in relatie tot het Palestijns-Israëlisch conflict betreft het vaker jongeren uit een migrantenfamilie, met Turkse of Marokkaanse wortels. Het onderzoek maakt duidelijk dat meer dan een derde van de docenten het afgelopen jaar kwetsende opmerkingen over Joden of een ontkenning van de Holocaust heeft gehoord. Deze docenten horen nog vaker smadelijke uitingen aan het adres van homo’s of de Islam. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is naar aanleiding van een ronde-tafelgesprek over antisemitisme voornemens onderzoek te verrichten naar de achterliggende oorzaken van antisemitisme (triggerfactoren) onder jongeren. Daarbij zal worden voortgebouwd op uitkomsten van het onderzoek van de Anne Frank Stichting.


X Noot
2

JOP staat voor Jeugdonderzoeksplatform en maakt deel uit van het Steunpuntenprogramma Beleidsrelevant onderzoek van de Vlaamse overheid (bron: www.jeugdonderzoeksplatform.be ).

Naar boven