Vragen van de leden Berndsen-Jansen en Van Veldhoven (Beiden D66) aan de Ministers
van Veiligheid en Justitie en van Infrastructuur en Milieu over fraude bij schadeherstel
van auto’s (ingezonden 24 juni 2014).
Antwoord van Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 12 augustus 2014).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2557.
Vraag 1
Kent u het bericht «Omvangrijke fraude bij autoschadeherstel»?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Antwoord 1
Ja. Ik vind het goed dat het Verbond van Verzekeraars onderzoek heeft gedaan naar
onregelmatigheden en fraude bij de reparatie van blikschade aan personenauto’s in
de ongestuurde schadestroom en met aanbevelingen is gekomen om dit tegen te gaan.
Fraude is een ernstige en ondermijnende vorm van criminaliteit en dient voorkomen
en bestreden te worden.
Vraag 2
Deelt u de mening van het Verbond van Verzekeraars dat het volstrekt onacceptabel
is dat in meer dan tien procent van alle uitgevoerde reparaties er sprake is van fraude?
Vraag 3 en 4
Op welke wijze steunt u de oproep van het Verbond van Verzekeraars aan de autoschadeherstelbranche
om maatregelen te nemen tegen de omvangrijke fraude?
Steunt u de plannen van het Verbond van Verzekeraars om periodieke controles c.q.
audits op reparaties uit te voeren en incidenten met schadeherstelbedrijven systematisch
te registreren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3 en 4
De maatregelen die de branche in dit kader neemt, ondersteun ik, zolang deze binnen
de wettelijke kaders passen en proportioneel zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat ze
geen aantasting van de privacy mogen veroorzaken.
Ik vind het verder goed dat de autoschadeherstelbranche is opgeroepen deze problematiek
uiterst serieus te nemen en maatregelen te nemen om fraude te voorkomen.
Vraag 5
Wat vindt u van het voornemen van het Verbond van Verzekeraars om standaard een kopie
van de oorspronkelijke calculatie naar de voertuigeigenaar te sturen zodat autobezitters
misstanden ook zelf kunnen signaleren en bij hun verzekeraar aan de bel trekken over
dubieuze herstellers? Ziet u meer mogelijkheden om autobezitters, mede gelet op de
eigen veiligheid als gebruiker van het voertuig, te helpen bij signalering van mogelijke
fraude bij schadeherstel?
Antwoord 5
Een sluitende aanpak van fraude kan alleen in gezamenlijkheid worden gerealiseerd.
Daarbij kunnen alle betrokken partijen, verzekeraars, schadeherstelbedrijven, maar
ook de burger wiens auto hersteld wordt een rol spelen. Zoals ik hierboven reeds heb
aangegeven, steun ik de maatregelen die de branche neemt zolang de maatregelen binnen
de wettelijke kaders passen en proportioneel zijn.
Naast de genoemde aanbevelingen kan bijvoorbeeld nog aan de maatregel worden gedacht
waarbij bedrijven misstanden in hun omgeving signaleren en melden bij de eigen brancheorganisatie
of bij verzekeraars. Daarnaast kan het helpen als de branche consumenten voorlichting
geeft over de aspecten waar ze op moeten letten bij autoschadeherstelbedrijven.
De RDW en de Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) kunnen tenslotte
een rol spelen bij de signalering van mogelijke fraude bij schadeherstel. Een samenwerking
tussen deze partijen is onlangs verankerd in het Convenant Schadevoertuigen. De afspraken
zien onder andere op het uitwisselen van informatie. In de nabije toekomst kan een
data-analyse van de verzamelde gegevens bijdragen aan het terugdringen van fraude
met schadevoertuigen.
Vraag 6 en 7
Indien de autoschadeherstelbranche er zelf niet in slaagt het structurele fraudeprobleem
op te lossen, bent u dan bereid in te grijpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom
niet?
Op welke manier gaan het Openbaar Ministerie en de politie invulling en uitvoering
geven aan «fraude door herstelbedrijven» als aangiftethema 2014–2015 en welke doelstelling
vindt u dat hiermee in 2015 moet worden behaald?
Antwoord 6 en 7
Naast de maatregelen die de verzekeringsbranche in haar onderzoek noemt, is een aantal
andere acties ondernomen. Het Verbond van Verzekeraars heeft in 2011 met de Nationale
Politie en het OM het «Convenant aanpak verzekeringsfraude» opgesteld. Eén van de
doelen van het convenant is te komen tot een integrale, programmatische aanpak van
verzekeringsfraude. Deze aanpak bestaat uit preventie, detectie, civielrechtelijke
en strafrechtelijke afhandeling. Belangrijke uitgangspunten van het convenant zijn
dat bij de aanpak van verzekeringsfraude preventie voorop staat en dat verzekeraars
primair zelf verantwoordelijk zijn voor de (civielrechtelijke) afhandeling van fraudegevallen.
In een nadere uitwerking van het convenant is bepaald dat een eventuele aangifte in
beginsel alleen – aanvullend – door verzekeraars wordt gedaan indien sprake is van
een concreet fraudevermoeden binnen één van de door de verzekeringsbranche zelf benoemde
thema’s. Recentelijk heeft de branche een aantal nieuwe thema’s benoemd voor de periode
2014–2015, waaronder fraude door dienstverleners bij autoschadeherstel. Politie en
OM hebben voor het doen van aangifte vaste contactpersonen voor verzekeringsfraude
aangewezen. Het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) van het Verbond
van Verzekeraars heeft hierbij een intermediairfunctie.
Indien aangifte wordt gedaan, zal het OM bepalen of er in dat specifieke geval voldoende
aanknopingspunten zijn om een strafrechtelijk onderzoek te starten.