Vragen van het lid Kuzu (PvdA) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
over mogelijke leveringsproblemen van preferente geneesmiddelen (ingezonden 12 juni
2014).
Antwoord van Minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 4 juli
2014).
Vraag 1
Bent u op de hoogte van het bericht dat er nog steeds leveringsproblemen zouden zijn
met preferente geneesmiddelen?1
Antwoord 1
Ja, ik heb het bericht gelezen. Uit een analyse van Farmanco, de databank waarin het
Laboratorium der Nederlandse Apothekers (LNA) leveringsproblemen registreert, blijkt
dat van de tekorten in Nederland over de periode 2004–2011 het in 65% van de gevallen
specialtés en in 35% van de gevallen generica betroffen.
Vraag 2
Deelt u nog steeds de mening dat preferentiebeleid leidt tot lagere kosten bij geneesmiddelen
en dat dit de totale kosten van de zorg verlaagt?
Antwoord 2
Ja. Het preferentiebeleid is een effectief instrument van de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars
kunnen zelf beslissen of zij dit instrument inzetten. Ik ben me ervan bewust dat naast
de evidente voordelen van het preferentiebeleid er ook enkele nadelen vastzitten aan
het preferentiebeleid. Over de problemen hebben de partijen in het Bestuurlijk Overleg
Farmacie gesproken en hebben zij afspraken gemaakt om de nadelen van het preferentiebeleid
te verminderen (zie de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 8 april 2014,
Kamerstukken II 2013–2014, 29 477, nr. 284).
Vraag 3
Deelt u voorts de mening dat patiënten zo min mogelijk hinder moeten ervaren bij het
verkrijgen van preferente geneesmiddelen?
Antwoord 3
Ja. Apothekers en ziekenhuisapothekers verrichten grote inspanningen om hun patiënten
toch van de juiste middelen te voorzien. Ik heb tot dusver geen signalen van patiënten
of patiëntenverenigingen ontvangen over opgelopen schade bij patiënten. Het is echter
ook niet zo dat ieder geneesmiddelentekort noodzakelijkerwijs een direct risico vormt
voor de patiënt en gezondheidsschade tot gevolg heeft. Uit de gegevens van Farmanco
blijkt dat er bij geneesmiddelen-tekorten in de meeste gevallen substitutie met een
ander middel mogelijk is of dat er een therapeutisch alternatief beschikbaar is. Bij
1% van de geneesmiddelen-tekorten is een dergelijke oplossing niet voorhanden.
Vraag 4
Kent u de reden waarom preferente geneesmiddelen soms minder goed verkrijgbaar zijn?
Is dit met niet-preferente merkloze geneesmiddelen anders gesteld? Zo ja, waar ligt
het verschil tussen preferente middelen en niet preferente middelen en bij wie ligt
de oorzaak (groothandel, leverancier, apotheek)?
Antwoord 4
De oorzaken van het niet beschikbaar zijn van preferente middelen en niet-preferente
merkloze geneesmiddelen zijn heel divers. Productieproblemen, de beschikbaarheid van
grondstoffen, logistieke problemen maar ook economische motieven spelen hierin een
belangrijke rol. Uit cijfers van Farmanco over de periode 2004–2011 blijkt dat slechts
1% van de tijdelijke tekorten direct te wijten is aan economische factoren.
Bij wie de verantwoordelijkheid ligt van het tekort hangt af van de reden van het
niet beschikbaar zijn van het (preferente) geneesmiddel. Volgens de cijfers van Farmanco
over de periode 2004–2011 liggen de oorzaken van tijdelijke tekorten grotendeels bij
de fabrikanten vanwege productieproblemen.
Vraag 5
Deelt u voorts de mening dat artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet farmaceutische
groothandels verplicht voldoende voorraad van geneesmiddelen aan te houden? Geldt
deze plicht ook voor preferente geneesmiddelen?
Antwoord 5
Ja. Dat betekent echter niet dat elke farmaceutische groothandel volledig gesorteerd
moet zijn en elk geneesmiddel op voorraad moet houden.
Vraag 6
Deelt u bovendien de mening dat artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet zou
moeten voorkomen dat er geneesmiddelentekorten bestaan? Wie is verantwoordelijk voor
toezicht en handhaving van de verplichting in artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet?
Antwoord 6
Ik deel deze mening voor zover in de Geneesmiddelenwet is opgenomen dat de Inspectie
voor de Gezondheidszorg (IGZ) verantwoordelijk is voor het toezicht en handhaving.
Het voorkomen van geneesmiddelentekorten door de farmaceutische groothandel is niet
altijd mogelijk gezien de veelvoud aan oorzaken van tekorten. Deze oorzaken strekken
vaak uit tot buiten de invloedsfeer van de farmaceutische groothandel. Zie ook het
antwoord op vraag 5.
Vraag 7
Bent u bereid de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) als verstrekker van vergunningen
aan groothandels en als toezichthouder op de uitvoering van de Geneesmiddelenwet opdracht
te geven groothandels te toetsen, en zo nodig handhavend op te treden, zodat er wel
voldoende voorraad van verzekerde geneesmiddelen (preferente middelen) is? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 7
Ter verduidelijking: de IGZ verstrekt geen farmaceutische vergunningen, dat doet het
Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). Ik zal de IGZ geen opdracht
geven groothandels te toetsen op het punt van voldoende voorraad omdat de IGZ in haar
toezicht op groothandels dit punt al sinds enige tijd standaard meeneemt en er geen
verplichting voor groothandels is om volledig gesorteerd te zijn. Zie het antwoord
op vraag 5.
X Noot
1Pharmaceutisch Weekblad 9 mei 2014;149–19