Vragen van de leden Fokke en Kerstens (beiden PvdA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over integriteitsschendingen door ambtenaren (ingezonden 28 april 2014).

Antwoord van Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen 10 juni 2014) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1981

Vraag 1

Kent u de berichten «Kwart ambtenaren ziet misstanden: van pesten tot corruptie»1 en «Reactie Bios (Bureau integriteitsbevordering openbare sector) op vervolgonderzoek»?2 Kent u het onderzoek «Aard en omvang van integriteitsschendingen binnen de Nederlandse overheid»?3

Antwoord 1

Ja, de berichten zijn mij bekend.

Vraag 2

Wat is uw reactie op de constatering in het genoemde onderzoek «dat bijna een kwart (22 procent) van onze ambtenaren het gevoel heeft een misstand te hebben meegemaakt die wij hier ook daadwerkelijk als integriteitsschending kwalificeren»? Acht u dit een correct beeld geven van de omvang van de integriteitsschendingen onder ambtenaren?

Antwoord 2

Ik acht het lastig om op basis van dit rapport uitspraken te doen over de daadwerkelijke omvang van integriteitsschendingen binnen de overheid. Zoals de onderzoekers zelf al stellen gaat het hier immers om een perceptieonderzoek en niet om onderzochte en bewezen gevallen.

De resultaten van het onderzoek kunnen mijns inziens wel worden beschouwd als een waardevol signaal. In het verleden werd de definitie van een integriteitsschending namelijk veelal beperkt tot die van grove schendingen als fraude en corruptie. Dit onderzoek toont aan dat veel ambtenaren echter ook alert zijn op, wat de onderzoekers bestempelen als, de meer «kleine vergrijpen». Dat vind ik een positieve constatering.

Wat ook opvalt is dat het voor het overgrote deel van de gepercipieerde gevallen gaat om schendingen die niet uniek zijn voor de publieke sector. In ruim tweederde van de gevallen gaat het namelijk om schendingen die in alle organisaties – ook private – (kunnen) worden aangetroffen: het gaat vooral om ongewenste omgangsvormen en verspilling. Ik ben het daarom eens met BIOS, wanneer zij stellen dat de echte meerwaarde van dit onderzoek niet zo zeer zit in het beeld van de omvang, maar voornamelijk in de bijdrage die het levert in het verkrijgen van een beter beeld over de aard van integriteitsschendingen.

Vraag 3, 4 en 5

Over welke gegevens ten aanzien van de aard en omvang van integriteitsschendingen onder ambtenaren beschikt u? Hoe verhouden die gegevens zich tot de resultaten uit het bovengenoemde onderzoek?

Blijkt uit de u beschikbare gegevens dat er de afgelopen jaren sprake is van een toename van het aantal integriteitsschendingen? Zo ja, wat is de reden van die toename?

Deelt u de mening van de onderzoekers dat de resultaten van hun onderzoek «geen rooskleurig beeld van de dagelijkse praktijk van het openbaar bestuur» opleveren? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?

Antwoord 3, 4 en 5

Organisaties in het openbaar bestuur zijn zelf verantwoordelijk voor het registreren van integriteitsschendingen. Dit maakt het lastig om uitspraken te doen over de frequentie waarmee bepaalde schendingen zich daadwerkelijk voordoen. In enkele onderzoeken, ook van mijn ministerie, zijn wel gegevens verzameld. Deze geven echter niet altijd een betrouwbaar beeld van het aantal onderzoeken naar mogelijke schendingen, zoals ook vermeld in de beleidsdoorlichting die recent naar uw kamer is gestuurd.4 Op dit moment zijn de gegevens van het Rijk het meest volledig. Voor vragen omtrent de omvang van integriteitsschendingen en de ontwikkelingen daarvan wend ik mij daarom tot gegevens van de sector Rijk.

De sector Rijk maakt sinds 2007 gebruik van een uniforme wijze van registratie. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk.5 Een analyse van deze cijfers laat zien dat de omvang van de vastgestelde integriteits-schendingen in de periode 2007–2009 ongeveer 500 gevallen per jaar bedraagt. Vanaf 2010 registreert het Rijk ook vermoedens van schendingen. In 2010 is sprake van 959 vermoedelijke schendingen waarvan na onderzoek 566 zijn vastgesteld. Dit aantal blijft in de jaren daarna redelijk stabiel. In 2011 werden 927 vermoedelijke en 537 geconstateerde schendingen geregistreerd. In 2012 bedroeg het aantal 997 vermoedelijke en 647 geconstateerde schendingen van integriteit. Dit aantal is in 2013 weer gedaald naar 939 vermoedelijke en 566 vastgestelde schendingen. Deze cijfers laten zien dat gemiddeld zestig procent van de meldingen resulteert in de constatering dat een schending kan worden vastgesteld. Niet alle vermoedens blijken daarmee ook een echte schending. De cijfers laten tevens zien dat de omvang van vermoedens en vastgestelde schendingen in de afgelopen jaren niet is toegenomen, de gegevens zijn momenteel stabiel.

Hoe deze cijfers zich verhouden tot de rest van het openbaar bestuur valt lastig vast te stellen. Op basis van de cijfers van het Rijk zie ik in ieder geval geen reden om aan te nemen dat het ambtelijk apparaat in de afgelopen jaren geconfronteerd is met een significante stijging van integriteitsschendingen.

Zoals gezegd zijn de gegevens in het onderzoek «Aard en omvang van integriteitsschendingen binnen de Nederlandse overheid» gebaseerd op de perceptie van geënquêteerde ambtenaren. Doorgaans liggen de resultaten van dergelijke enquêtes – vele malen – hoger dan de gegevens over de omvang op basis van registraties. Een goede analyse van de verschillen is nu helaas niet mogelijk doordat de door de onderzoekers gehanteerde definitie en indeling in type schendingen niet goed aansluiten bij de uniforme registratie van integriteitschendingen zoals die door mijn ministerie samen met de koepelorganisaties is aanbevolen en die ook door het Rijk wordt gehanteerd.6

Dat neemt niet weg dat natuurlijk elke schending er één teveel is. Maar tegelijkertijd moeten we ook concluderen dat incidenten zich altijd voor zullen blijven doen. Hoewel Nederland internationaal erkend wordt om de mate van integriteit en de aandacht voor integriteit en goed bestuur, blijft het goed om de zaken bespreekbaar te maken zodat de aandacht voor het thema niet verslapt. Het is duidelijk dat naast alle aandacht voor bewustwording, organisaties ook geconfronteerd worden met de noodzaak om handhavend op te treden in het geval dat de organisatie signaleert dat er mogelijk sprake is van schendingen. Dit is in alle gevallen voor zowel de organisatie als alle betrokkenen een vaak ingrijpende ervaring.

Vraag 6

Ziet u net zoals de onderzoekers dat er «alle reden is voor waakzaamheid, goed integriteitsbeleid en goede interne meldsystemen»? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Ik deel de opvatting dat de overheid ten alle tijden waakzaam dient te zijn op de eigen integriteit. Integriteit vormt immers één van de belangrijkste voorwaarden voor het vertrouwen tussen burgers en openbaar bestuur. De overheid vervult daarom op dit punt een voorbeeldfunctie.

Ook deel ik de opvattingen dat overheidsorganisaties dienen te beschikken over een goed integriteitsbeleid en goede interne meldsystemen en handhavingsbeleid. Deze zaken zijn ook opgenomen in de Ambtenarenwet. Zo stelt artikel 125quater lid a van de Ambtenarenwet dat organisaties in het openbaar bestuur een integriteitsbeleid moeten voeren. Artikel 125quinquies lid f stelt daarnaast dat organisaties in het openbaar bestuur dienen te beschikken over een procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende vermoedens van misstanden.

Vraag 7

Wat doet de overheid om integriteitsschendingen door ambtenaren te voorkomen? Geven de uitkomsten van het genoemd onderzoek u aanleiding om de inspanningen ter bevordering van integriteit te intensiveren of te veranderen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

Recentelijk heeft mijn ministerie de beleidsdoorlichting Integriteit(sbeleid) afgerond.7 Eén van de belangrijkste conclusies uit deze doorlichting was dat mijn ministerie gedurende de loop der jaren heeft ingezet op een breed integriteitsbeleid gericht op ambtenaren in het openbaar bestuur. Het beleid omvat diverse elementen waarmee, ook volgens internationale (wetenschappelijke) standaarden, sprake is van een goed en coherent integriteitsbeleid. Daarmee is het beleid een goede basis gebleken voor overheidsorganisaties om zelf voortvarend aan de slag te kunnen met integriteitsbeleid.

Het inherente belang van een integere overheid zorgt er echter ook voor dat de inspanningen ter bevordering van integriteit deel uitmaken van een continu proces. Ik zal dat zelf ook blijven aanmoedigen en bevorderen. In mijn brief over dit onderwerp aan uw Kamer heb ik dat ook aangekondigd.8


X Noot
1

Brabants Dagblad, 25 april 2014, p. 3

X Noot
4

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2014), Beleidsdoorlichting Integriteit(sbeleid)

X Noot
5

Sociaal Jaarverslagen Rijk 2007 t/m 2010 en Jaarrapportages Bedrijfsvoering Rijk 2011, 2012 en 2013.

X Noot
6

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2008), Registratie integriteitsschendingen openbaar bestuur en politie.

X Noot
7

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2014), Beleidsdoorlichting Integriteit(sbeleid)

X Noot
8

TK 2013–2014, 30 985, nr. 9

Naar boven