Vragen van het lid Van Klaveren (PVV) aan de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Buitenlandse Zaken over de voortgaande buitenlandse islamitische inmenging in Nederland (ingezonden 19 augustus 2013).

Antwoord van minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) mede namens de minister van Buitenlandse Zaken (ontvangen 4 oktober 2013). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Nieuw centrum promoot islam in Rotterdam»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u precies aangeven hoeveel euro de islamitische stichting SSCCN ontvangt, van wie, uit welk land en onder welke voorwaarden?

Antwoord 2

De rijksoverheid houdt geen lijst bij van financiering van maatschappelijke en religieuze organisaties. Volgens het bestuur van SSCCN in Rotterdam heeft deze stichting een geldbedrag van 380.000 Amerikaanse Dollar ontvangen van de Islamic Development Bank die gevestigd is in Djedda, Saoedi-Arabië. Het betreft een eenmalig bedrag en er zijn volgens het bestuur geen voorwaarden aan deze sponsoring gesteld.

Vraag 3

Ziet u het gevaar van buitenlandse islamitische inmenging in Nederland? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 3

Ik vind het onacceptabel wanneer nieuwe of gevestigde Nederlanders onder druk worden gezet door buitenlandse overheden of organisaties en daarmee in hun vrijheden worden beknot. Voor buitenlandse mogendheden is het mogelijk om op basis van vrijwilligheid contact te onderhouden met Nederlandse ingezetenen, zolang dit de integratie in de Nederlandse samenleving niet belemmert. Ook is het toegestaan om gebruik te maken van buitenlandse financiering om gebedshuizen te stichten. Echter, wanneer kernwaarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat in het geding zijn, heeft de overheid een verantwoordelijkheid om in te grijpen ter bescherming van deze kernwaarden. De Kamer is eerder geïnformeerd over de risico’s van buitenlandse financiering (TK 2008–2009, 29 754, nr. 145).

Vraag 4

Deelt u de visie dat aparte islamitische stichtingen slecht zijn voor de integratie? Zo neen, denkt u werkelijk dat landen als Koeweit en Saoedi-Arabië de integratie in Nederland zullen bevorderen?

Antwoord 4

Nee, deze visie deel ik niet. De Kamer is eerder geïnformeerd over de risico’s van buitenlandse financiering (TK 2008–2009, 29 754, nr. 145). In deze brief staat dat financiering, zowel binnenlands als buitenlands, altijd met invloed gepaard kan gaan. De gevolgen hiervan voor de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving zijn niet altijd eenduidig vast te stellen.

Vraag 5

Welke maatregelen bent u bereid te treffen om buitenlandse financiering van moskeeën en andere islamitische organisaties tegen te gaan?

Antwoord 5

Vanwege het beginsel van scheiding van kerk en staat, alsmede de vrijheid van godsdienst, is overheidsinmenging in geloofgenootschappen niet altijd mogelijk. De overheid kan in beginsel geen maatregelen nemen ten aanzien van de samenstelling van een moskeebestuur en de financiering van een moskee, ook niet als deze (gedeeltelijk) vanuit het buitenland plaatsvindt. Ik vind het wel belangrijk dat in dit geval moskeeën transparant zijn over giften die zij ontvangen. Ik roep de moskeebesturen die geld ontvangen vanuit het buitenland dan ook op om maximale openheid te betrachten in de financiële relaties met het buitenland. Daarnaast, conform mijn toezegging aan uw Kamer d.d. 12 september 2013 zal ik bezien welke aanvullende instrumenten vanuit de overheid mogelijk zijn om onwenselijke buitenlandse financiering van gebedshuizen te ontmoedigen.

Naar boven