Vragen van de leden Berndsen-Jansen (D66) en Oskam (CDA) aan de Minister van Veiligheid
en Justitie over het bericht dat «verdachten profiteren in kinderpornozaken van een
te vage tenlastelegging» (ingezonden 22 januari 2014).
Antwoord van Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 4 maart 2014).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1183.
Vraag 1 en 2
Bent u op de hoogte van het conflict in de media tussen het Openbaar Ministerie (OM))
en de rechtbank Den Haag over de manier waarop een aanklacht van bezit van kinderporno
moet worden opgeschreven?1
Klopt het dat sprake is van een verschil in zienswijze tussen het OM en de rechtbank
Den Haag over de manier waarop een aanklacht van bezit van kinderporno moet worden
opgeschreven?
Zo ja, kunt u toelichten op grond waarvan het verschil van zienswijze over de tenlastelegging
in kinderpornozaken bestaat en of er meer gerechten zijn waar dit conflict zich voordoet?
Antwoord 1 en 2
Er is sprake van een juridisch verschil van opvatting tussen een beperkt aantal (kamers
van) rechtbanken en het OM over de interpretatie van artikel 261 van het Wetboek van
Strafvordering (Sv). Het OM is begin 2011 in kinderpornozaken overgegaan op een nieuwe
wijze van tenlasteleggen. Dit was naar het oordeel van het OM noodzakelijk, omdat
de oude wijze van tenlasteleggen niet meer toereikend was in zaken waarin sprake was
van honderdduizenden of miljoenen bestanden. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad in 2011
dat de «oude» wijze van tenlasteleggen kan leiden tot (partiële) nietigheid van de
dagvaarding.2
Het OM is van mening dat deze nieuwe vorm van tenlasteleggen voldoet aan de vereisten
van artikel 261 Sv. In een beperkt aantal gevallen hebben rechtbanken geoordeeld dat
dit niet het geval is. De twee kamers van de rechtbank Den Haag die de dagvaarding
nietig verklaarden, overwogen dat de nieuwe manier van tenlasteleggen tot gevolg heeft
dat uit de beschrijving niet kan worden opgemaakt of alle daarin genoemde handelingen
betrekking hebben op alle afbeeldingen, of dat er ook abeeldingen zijn waarin slechts
een gedeelte van de beschreven handelingen te zien is, en zo ja welke. De dagvaarding
voldoet daarmee, volgens de twee kamers, niet aan de vereisten van artikel 261 Sv.
Voor zover zaken vergelijkbaar zijn (nietigheid van een dagvaarding kan immers verschillende
oorzaken hebben) geldt het volgende. Rechtbanken waaraan de vernieuwde tenlasteleggingen
werden voorgelegd, hebben deze geaccepteerd. Uitzondering daarop vormden enkele kamers
binnen de rechtbanken Den Haag, Limburg, Oost Brabant en Noord-Nederland. Zowel voor
als na deze twee gevallen, hebben andere kamers binnen diezelfde rechtbanken de tenlasteleggingen
wel geaccepteerd. Bij de overige rechtbanken en hoven in Nederland speelt deze discussie
niet.
Vraag 3
Hoeveel zaken hebben vertraging opgelopen door het verschil in zienswijze? Hoeveel
aanklachten zijn in dit verband vernietigd door de rechtbank en in hoeveel gevallen
heeft dat geleid tot een strafverlaging voor de dader?
Antwoord 3
Enkele tientallen zaken bij de rechtbank Den Haag hebben door het hiervoor beschreven
verschil in zienswijze vertraging opgelopen. Zoals aangegeven is er sprake van een
nietigverklaring van vier dagvaardingen voor heel Nederland. Slechts in enkele gevallen
heeft de opgelopen vertraging invloed gehad op de strafeis en de strafmaat. Van belang
is dat geen enkele verdachte door dit verschil in opvatting strafvervolging is ontlopen.
Vraag 4 en 7
Welke formele afspraken zijn er tussen het OM en de Rechtspraak over de wijze van
ten lasteleggen van kinderpornozaken?
Bent u voornemens het OM en de Raad voor de Rechtspraak te verzoeken direct een einde
te maken aan deze patstelling, zorg te dragen voor een werkbare tenlastelegging en
er voor te zorgen dat geen vertragingen meer optreden in de zaken die reeds voorliggen
en de Kamer hierover nader te informeren?
Antwoorden 4 en 7
Van formele afspraken tussen het OM en de Rechtspraak is geen sprake. Wel is door
het OM zowel binnen als buiten de rechtszaal bij de rechtbanken aangedrongen op een
eenduidig standpunt van de rechtspraak in deze kwestie. Het OM Den Haag zal binnenkort
weer een zaak aanbrengen met de nieuwe wijze van tenlastelegging. De jurisprudentie
die dit zal opleveren zal bijdragen aan meer duidelijkheid over de in de toekomst
te volgen werkwijze.
Vraag 5
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de tenlasteleggingen voldoende feitelijk zijn
opgesteld zodat een rechter voldoende inhoudelijk kan oordelen en een verdachte weet
wat hem precies wordt verweten?
Antwoord 5
Met de nieuwe wijze van tenlasteleggen wordt enerzijds beoogd de werklast voor het
OM en de politie bij het opstellen van de tenlastelegging te beperken, terwijl anderzijds
de verdachte op basis van de tenlastelegging nog steeds kan vaststellen wat hem wordt
verweten.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is wanneer tussen rechtbanken onderling te
grote verschillen ontstaan ten aanzien van de afhandeling van kinderpornozaken?
Antwoord 6
Dat is inderdaad een onwenselijke situatie, vandaar dat de maatregelen zoals beschreven
in antwoord op de voorgaande vragen worden genomen.
X Noot
1Algemeen dagblad, 20 januari 2014
X Noot
2ECLI:PHR:2011:BS1739