Vragen van het lid Van Meenen (D66) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de telsystematiek voor educatiebudgetten (ingezonden 6 december 2013).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 31 januari
2014).
Vraag 1
Is het waar dat de hoogte van het educatiebudget van gemeenten wordt bepaald op basis
van het aantal educatietrajecten dat de gemeente aanbiedt?
Antwoord 1
De hoogte van het educatiebudget van gemeenten in 2013 en 2014 is bepaald op basis
van vier indicatoren, die elk voor 25% meetellen in de berekening. Deze indicatoren
zijn: het percentage laagopgeleiden in een gemeente, het percentage inwoners met een
allochtone achtergrond, het aantal door gemeenten bij roc’s ingekochte educatietrajecten
en het aantal behaalde NT-2 certificaten.
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten wat u precies verstaat onder een educatietraject? Kunt u daarbij
specificeren hoe en door wie het aantal educatietrajecten wordt vastgesteld?
Antwoord 2
Bij de invoering van het participatiebudget in 2009 is ervoor gekozen het begrip educatietraject
niet nader te definiëren, zodat gemeenten voldoende beleidsvrijheid hadden om dit
naar eigen inzicht in te vullen. Behalve aanbod gericht op de verbetering van taal-
en rekenvaardigheden, valt hierbij ook te denken aan een sollicitatietraining voor
een werkzoekende of cursus budgettering voor laaggecijferden. Gemeenten hebben immers
goed zicht op de opleidingsbehoeften van hun inwoners en daardoor op de invulling
en inkoop van daarbij behorende trajecten. Gemeenten en roc’s maken onderling afspraken
over de invulling van de aangeboden educatietrajecten, bijvoorbeeld met betrekking
tot het aantal onderwijsuren. Het is dus aan gemeenten en roc’s om het aantal educatietrajecten
vast te stellen. Gemeenten leggen hierover verantwoording af via het Single Information
Single Audit (SiSa) systeem.
Vraag 3
Op basis van welke criteria moeten gemeenten het aantal educatietrajecten berekenen
en vaststellen?
Antwoord 3
Gemeenten stellen op basis van de behoefte van hun inwoners en het beschikbare budget
vast welke en hoeveel educatietrajecten zij inkopen. Gemeenten verantwoorden het aantal
bij roc’s ingekochte educatietrajecten via SiSa.
Vraag 4
Is het waar dat gemeenten verschillende telsystemen gebruiken? Zo ja, kunt u dit verklaren?
Kunt u aangeven welke verschillende systemen er in de gemeenten gebruikt worden?
Antwoord 4
Het is niet zo dat gemeenten verschillende systemen gebruiken om educatietrajecten
te tellen. Wel bestaan er tussen gemeenten verschillen in de invulling en omvang van
educatietrajecten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, is bij de
invoering van het participatiebudget in 2009 ervoor gekozen gemeenten voldoende beleidsvrijheid
te geven om educatietrajecten binnen de wettelijke kaders naar eigen inzicht in te
vullen.
Vraag 5
Deelt u de mening dat verschillende manieren van tellen leidt tot een onevenredige
verdeling van budgetten?
Antwoord 5
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 reeds heb aangegeven, tellen gemeenten de educatietrajecten
niet op verschillende manieren. Wel bestaan er, binnen de gestelde wettelijke kaders,
verschillende invullingen van educatietrajecten voortvloeiend uit afspraken tussen
gemeenten en roc’s. De maatstaf ingekochte educatietrajecten telt, als één van de
vier maatstaven, voor 25% mee in de verdeelsystematiek van de educatiemiddelen in
2013 en 2014.
Vraag 6
Hoeveel middelen worden in totaal besteed aan educatiebudgetten? Kunt u daarbij specificeren
hoe dit geld over gemeenten wordt verdeeld?
Antwoord 6
Het beschikbare budget voor educatie is € 53 miljoen per jaar voor 2013 en verder.
Voor de wijze van verdeling van educatiemiddelen verwijs ik u kortheidshalve naar
mijn antwoord op vraag 1.
Vraag 7
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling is dat bepaalde gemeenten meer geld krijgen
dan anderen, doordat zij een andere manier van tellen hanteren? Zo ja, bent u bereid
dit op te lossen?
Antwoord 7
Zoals ik u in mijn antwoord op vraag 5 al heb meegedeeld, is er geen sprake van het
tellen van educatietrajecten op verschillende manieren. Wel kan de invulling van educatietrajecten
tussen gemeenten verschillen.
Vraag 8
Bent u bereid tot een heldere, uniforme definitie van educatietraject en bijbehorende
telsystematiek te komen?
Antwoord 8
Sinds 1 januari 2013 is het educatieaanbod gefocust op opleidingen Nederlandse taal
en rekenen en hiervoor zijn eindtermen vastgesteld. Zoals ik u in mijn brief van 14 januari
jl. (kamerstuk 28 760, nr. 36) over de toekomst van de educatie heb aangegeven, bereid ik thans een wetsvoorstel
voor waarmee de educatiemiddelen per 2015 als specifieke uitkering aan regio’s worden
uitgekeerd. Binnen deze regio’s zullen coördinerende gemeenten een regierol vervullen
bij het regionaal organiseren van het educatieaanbod. In het kader van voornoemd wetsvoorstel
bezie ik welke verdeelmaatstaven het meest passend zijn.