Vragen van het lid Schouw (D66) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over het verstrekken van biometrische
gegevens aan de Verenigde Staten (ingezonden 27 december 2012).
Antwoord van minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
15 januari 2013)
Vraag 1
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over het verstrekken van biometrische
gegevens aan de Verenigde Staten waarin u stelt dat u een oplossing heeft zodat de
Amerikaanse autoriteiten in geen geval toegang hebben tot de gegevens?1
Vraag 2
Kunt u aantonen, nu u in uw brief het gebruik van de extraterritorialiteit van de
Amerikaanse wet «theoretisch» noemt, dat de Amerikaanse autoriteiten nog nooit op
basis van de Patriot Act bij Morpho, of andere bedrijven op Nederlands grondgebied
hebben opgevraagd?
Antwoord 2
In de brief van 4 juni 20122 is gesteld dat de Patriot Act in zijn toepassing extraterritoriale werking heeft.
Dat is dus niet theoretisch. Echter, en dat is ook gesteld, betekent die extraterritoriale
werking niet dat elke onderneming die niet in de Verenigde Staten is gevestigd, onderworpen
is aan de jurisdictie van de Verenigde Staten. Daarvoor moet sprake zijn van de omstandigheden
die in de hiervoor aangehaalde brief zijn beschreven.
Morpho BV (verder Morpho genoemd) heeft mij verzekerd dat er geen gegevens door de
Amerikaanse autoriteiten zijn opgevraagd en ik heb geen aanwijzing om te denken dat
die informatie onjuist zou zijn. Over vragen van de Amerikaanse autoriteiten bij andere
bedrijven kan ik geen uitspraken doen.
Vraag 3 en 4
Op welke wijze voorkomt de onderhandelde oplossing dat de autoriteiten van de Verenigde
Staten toegang zouden kunnen krijgen tot de gegevens van Morpho? De Amerikaanse wet
blijft toch onverkort van kracht, ongeacht wie er bij Morpho werken of in het bestuur
zitten?
Bent u van mening dat de gekozen oplossing voldoet aan de Nederlandse en Europese
regels met betrekking tot gegevensbescherming?
Antwoord 3 en 4
Het is juist dat de Amerikaanse wet niet buiten werking is gesteld met de afspraken
die met Morpho zijn gemaakt. De betreffende Amerikaanse wetgeving en de werking daarvan
bestaan nog steeds. Zoals in het antwoord op vraag 2 is gesteld betekent dit niet
dat de Amerikaanse wetgeving, met de daarbij behorende extraterritorialiteit, zomaar
aan Amerikaanse autoriteiten de bevoegdheid geeft tot het vorderen van gegevens die
bij Morpho aanwezig zijn. De gemaakte afspraken met Morpho voorzien op een naar mijn
mening proportionele wijze in het beheersen van de situatie die zich in theorie zou
kunnen voordoen en waarin de Amerikaanse autoriteiten zouden kunnen nagaan of vanwege
personele verbindingen tussen bestuurders of commissarissen van een in Amerika gevestigd
Safran-bedrijf en het in Nederland gevestigde Morpho, een bevoegdheid bestaat om gegevens
bij Morpho te vorderen.
De huidige Europese en daarop gebaseerde Nederlandse regels met betrekking tot gegevensbescherming
zijn als kader meegenomen in het overleg dat met Morpho heeft plaatsgevonden. Voor
wat betreft toekomstige regels met betrekking tot gegevens-bescherming ziet het kabinet,
zoals eerder medegedeeld (BNC-fiche Algemene Verordening Gegevensbescherming, TK 2011–2012,
22 112, nr. 1372, p. 7), overigens de voorstellen over grensoverschrijdend gegevensverkeer al als
een stap vooruit. De vraag is echter of de kwestie van conflicterende jurisdicties
sluitend wordt opgelost. Het kabinet zal zich in dit licht in de onderhandelingen
inzetten voor een zoveel mogelijk sluitende regeling.
Vraag 5
Heeft u de oplossing laten toetsen door het College Bescherming Persoonsgegevens?
Vraag 6
Bent u, indien de situatie zich voordoet, bereid met andere bedrijven te onderhandelen
over een oplossing? Zo ja, is het haalbaar om met talloze bedrijven in dezelfde situatie
te onderhandelen over een oplossing?
Antwoord 6
Ik ben van mening dat, als dat nodig is, de minister die voor de betreffende opdracht
cq contract verantwoordelijk is moet bezien of het nodig is met een bedrijf te overleggen
cq te onderhandelen.
Vraag 7
Kunt u verzekeren dat ook in de toekomst Amerikaanse autoriteiten, of autoriteiten
uit andere landen, geen gebruik zullen maken van extraterritoriale wetgeving om toegang
te krijgen tot persoonlijke gegevens die zijn opgeslagen op Nederlands grondgebied?
Antwoord 7
Die garantie kan ik niet geven.
Vraag 8
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de Raad Justitie en
Binnenlandse Zaken voorzien op woensdag 16 januari 2013?
X Noot
1Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2710
X Noot
2De brief waarnaar wordt verwezen is gevoegd bij de beantwoording van de vragen van
het TK-lid Schouw (TK 2011–2012, nr. 2710)