Vragen van het lid Segers (ChristenUnie) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de inzet van paragnosten door de politie (ingezonden 13 november 2012).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 27 december 2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 742

Vraag 1

Kent u het bericht «Onduidelijkheid over inzetten van paragnosten bij politiewerk»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening dat opsporingsonderzoeken zich moeten richten op feiten?

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3 en 5

Waarom is de «Instructie Onorthodoxe Opsporingsmethoden» niet openbaar? Kunt u deze instructie naar de Kamer sturen?

Is het waar dat deze instructie onder onorthodoxe opsporingsmethoden verstaat het horen van getuigen onder hypnose, de «poppenspelmethode», de leugendetector, de narcoanalyse en de paragnostiek? Klopt het dat deze methoden volgens deze instructie naar de huidige wetenschappelijke inzichten geen zekerheid bieden over de betrouwbaarheid van de resultaten?

Antwoord 3 en 5

De Instructie bevat interne procedureregels voor de politie en het Openbaar Ministerie (OM) en is geschreven voor die (uitzonderlijke) gevallen waarin men in een opsporingsonderzoek gebruik wil maken van bijvoorbeeld het horen van getuigen onder hypnose, een leugendetector, het poppenspel, narcoanalyse of een paragnost. Een afschrift van de instructie treft u hierbij als bijlage aan2. Ik verwijs naar hetgeen daarin is vermeld over de betrouwbaarheid van de resultaten van dergelijke middelen.

Vraag 4

Deelt u de mening dat een instructie, die bij het overgrote deel van de politie onbekend is, ook niet kan worden toegepast en dat het hierdoor momenteel mogelijk is dat politiemensen voor onderzoek gebruik maken van paragnosten zonder de daarvoor vereiste toestemming?

Antwoord 4

Door de wijze waarop politie en OM samenwerken is het niet nodig dat alle politieagenten met deze instructie bekend zijn. Opsporingsonderzoeken vinden plaats onder het gezag van het Openbaar Ministerie. Daar ligt ook de verantwoordelijkheid voor de keuze welke opsporingsmethoden worden ingezet. Als een rechercheteam de inzet van onorthodoxe opsporingsmethoden al zou overwegen, kan dit nooit plaatsvinden zonder dat het Openbaar Ministerie hier weet van heeft.

Vraag 6

Kunt u aangeven waarom de instructie desondanks het inzetten van paragnosten niet verbiedt?

Antwoord 6

Sommige delicten zijn zo ernstig in de gevolgen voor slachtoffers dan wel nabestaanden, dat de politie en het OM alle mogelijkheden om een delict op te lossen in overweging willen kunnen nemen. Gelet hierop wil het OM de in de instructie genoemde methoden niet op voorhand uitsluiten. Een aanvraag om de in de instructie opgesomde opsporingsmethoden toe te passen komt overigens zelden voor. Mocht een dergelijke aanvraag wel worden ingediend dan zal het OM onder zeer bijzondere omstandigheden toestemming verlenen voor de inzet van de onorthodoxe opsporingsmethode: er moet sprake zijn van een ernstig strafbaar feit en daarnaast dient het onderzoek met gebruikmaking van de gebruikelijke recherchemethoden te zijn vastgelopen.

Vraag 7

Bent u bereid de instructie aan te passen zodat geen gebruik meer wordt gemaakt van methoden waarvan de werkzaamheid naar wetenschappelijk inzicht dubieus is, zoals de inzet van paragnosten, en dit mee te nemen in de politieopleiding, zodat verwarring in onderzoeksteams wordt voorkomen en er geen kostbare tijd van deze teams verloren gaat?

Antwoord 7

Ik verwijs naar het antwoord op vraag 6. Het is in dit licht niet zo dat de inzet van paragnosten verwarring in onderzoeksteams tot gevolg heeft en dat kostbare tijd verloren gaat. Derhalve ziet het OM geen aanleiding om de instructie aan te passen.


X Noot
1

Trouw, 7 november 2012

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven