Vragen van de leden Van Gerven en Leijten (beiden SP) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het correct uitvoeren van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) (ingezonden 10 augustus 2012).

Antwoord van staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 24 september 2012).

Vraag 1

Bent u met de landsadvocaat van mening dat de huishoudelijke verzorging meer taken en verantwoordelijkheden omvat dan alleen schoonmaken, andere vaardigheden vergt van het personeel en gericht is op mensen en niet, zoals bij schoonmaken, op het gebouw?1

Antwoord 1

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bepaalt dat gemeenten een burger met een beperking in staat moeten stellen om een huishouden te voeren. Bovendien schrijft de Wmo maatwerk voor. De geboden ondersteuning dient met andere woorden aan te sluiten bij de behoeften van de ontvanger van de ondersteuning en kan dus diverse taken en verantwoordelijkheden vergen, juist omdat ze gericht is op mensen.

Vraag 2

Indien een gemeente, zoals bijvoorbeeld Emmen, in plaats van een individuele voorziening huishoudelijke zorg een algemene schoonmaakondersteuning biedt, voldoet zo'n gemeente dan nog aan de Wmo? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?

Antwoord 2

Een gemeente dient te allen tijde te voldoen aan de compensatieplicht. Hierbij zijn maatwerk en beleidsvrijheid van de gemeente uitgangspunt. Een algemene voorziening kan een doelmatige manier zijn om te bereiken dat een persoon in staat wordt gesteld om een huishouden te voeren. Indien deze algemene voorziening echter – gezien de persoonskenmerken en behoefte van een persoon – niet toereikend is (niet in voldoende mate compenseert), dan ligt een individuele voorziening voor de hand.

Vraag 3

Wat moet een gemeente minimaal bieden aan huishoudelijke voorziening om te voldoen aan de wet?

Antwoord 3

De gemeente dient een burger met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem in staat te stellen om een huishouden te voeren.

Vraag 4, 5, 6

Erkent u dat, indien huishoudelijke verzorging gericht is op mensen en volgens het kwaliteitsdocument ook vaardigheden om te signaleren omvat, dit minimaal gaat om FWG 15 (Functiewaarderingsschaal) volgens de functiewaardering zorg?

Deelt u de mening dat vaardigheden die passen bij het leveren van huishoudelijke zorg overeenkomen met minimaal functiewaardering 15? Zo nee, kunt u toelichten hoe je huishoudelijke zorg kan leveren zonder gericht te zijn op de mensen om wie het gaat?

Indien het gaat om mensen in opleiding, die nog niet op FWG15 ingeschaald zijn, bent u dan van mening dat zij begeleid moeten worden en na opleiding op minimaal FWG 15 moeten worden ingeschaald?

Antwoord 4, 5, 6

De inschaling van personeel dat huishoudelijke verzorging verleent betreft een zaak van sociale partners. Werkgevers en werknemers maken hierover afspraken in de cao. Ik vind dat partijen zich aan deze afspraken moeten houden.

De gemeenten dienen volgens het Kwaliteitsdocument verantwoorde Hulp bij het Huishouden aan te bieden met medewerkers met een deskundigheidsniveau dat past bij de beschikking. Dit benodigde deskundigheidsniveau kan per situatie verschillen.

Vraag 7

Vindt u dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de huishoudelijke voorziening en dus kwaliteits- en opleidingseisen moeten stellen aan het personeel en zich moeten houden aan het kwaliteitsdocument voor verantwoorde huishoudelijke zorg? Zo ja, hoe ziet u hier op toe? Is het acceptabel dat voor het uitvoeren van werkzaamheden die zich beperken tot HH categorie 1 (Hulp bij het Huishouden) geen specifieke opleidingseisen nodig zijn zoals de 19 gemeenten in Noord-Holland stellen?

Antwoord 7

Huishoudelijke zorg moet inderdaad zowel voldoen aan de eisen die de Wmo stelt als aan de eisen die volgen uit de Kwaliteitswet zorginstellingen. Dat wil zeggen dat de huishoudelijke zorg voldoende dient te zijn om de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te compenseren. Verder dienen aanbieders van huishoudelijke zorg te voldoen aan de eisen van verantwoorde zorg uit de Kwaliteitswet zoals uitgewerkt in het Kwaliteitsdocument. De kwaliteitseisen in het Kwaliteitsdocument zijn landelijke eisen, opgesteld door branche-, beroeps- en cliëntenorganisaties en vormen het toezichtkader voor de IGZ. Via het toezichtskader van de IGZ wordt toegezien op de aanbieders van huishoudelijke zorg. Aanvullend op de landelijke kwaliteitseisen van het Kwaliteitsdocument kunnen gemeenten eigen kwaliteitseisen stellen; deze moeten tenminste aansluiten op de kwaliteitseisen in het toezichtkader en daarmee niet strijdig zijn.

Vraag 8

Indien gemeenten (zoals Rotterdam en 19 gemeenten in Noord-Holland) in hun bestek2 opnemen dat bij HH1 hoort het signaleren van veranderingen in zorgbehoeften of van veranderingen in gezondheidssituatie, leefomstandigheden en sociale omgeving van de cliënt, hoort dit dan overeen te komen met personeel op minimaal FWG 15?

Antwoord 8

Werkgevers en werknemers gaan over functiewaardering van het personeel en maken hierover afspraken in de cao. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het stellen van kwaliteitseisen (waaronder eisen aan het in te zetten personeel) aan de door hen gewenste huishoudelijke verzorging. Bij de vaststelling van het basistarief dient de gemeente uit te gaan van de arbeidsvoorwaarden die passen bij deze door de gemeente geëiste vaardigheden.

Vraag 9

Wat is een reëel basistarief als dat gebaseerd moet zijn op personeel op minimaal functiewaardering 15? Klopt het dat je dan uitkomt op tarieven tussen 21 en ruim 25 euro, afhankelijk van hoe lang personeel in dienst is?3 Zo nee, wat is volgens u een reëel basistarief?

Antwoord 9

De hoogte van het reëel basistarief is afhankelijk van de wijze waarop een gemeente de huishoudelijke verzorging heeft gedefinieerd en georganiseerd. Bovendien is het reëel basistarief afhankelijk van verschillende kostencomponenten (kosten personeel, reiskosten, overhead, etc.) en de lokale omstandigheden (zoals stad of plattelandsgemeente). Uit een eerder onderzoek naar de kostenstructuur van huishoudelijke verzorging (TK 29 538, nr. 91) bleek dat de verschillen in kostprijs hierdoor vrij fors kunnen zijn.

Vraag 10

Kunt u een overzicht geven van de gehanteerde tarieven huishoudelijke zorg in Nederland? Hoe gaat u er op toezien dat in elk geval vanaf 1 september gewerkt wordt met tarieven op basis van reële kostprijzen?

Antwoord 10

Uit onderzoek van het SCP blijkt dat in 2010 het (gewogen) gemiddelde tarief voor eenvoudige hulp bij het huishouden (hh1) € 20,94 en voor complexe hulp bij het huishouden (hh2) € 23,21 bedraagt.

Tijdens het AO Wmo van 28 juni jl. heb ik reeds toegezegd om de vaststelling van de vereiste basistarieven te monitoren.

Vraag 11

Wat moeten gemeenten doen waar nog oude contracten lopen, waarin tarieven worden gehanteerd die onder de reële kostprijs liggen?

Antwoord 11

De wet schrijft voor dat de gemeente bij het aangaan van overeenkomsten met derden over het verlenen van huishoudelijke verzorging de door de gemeenteraad vastgestelde basistarieven in acht neemt. Oude contracten die reeds lopen hoeven dus niet te worden aangepast.

Vraag 12

Bent u van mening dat bij het vaststellen van basistarieven op grond van reële kostprijzen jaarlijks geïndexeerd hoort te worden om de tarieven aan te kunnen passen aan de eventueel gewijzigde arbeidsvoorwaarden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen indien een gemeente nu al vaststelt dat ze tot en met 2016 niet gaat indexeren zoals 19 gemeenten in Noord-Holland? (2, bijlage)

Antwoord 12

De gemeente dient het door de gemeenteraad vastgestelde basistarief in acht te nemen bij het aangaan van een overeenkomst met een aanbieder. In deze overeenkomst wordt opgenomen hoe omgegaan wordt met de indexering van de daadwerkelijk afgesproken tarieven. Het ligt hierbij in de rede om daarbij ondermeer rekening te houden met de (jaarlijkse) ontwikkeling van de onderliggende reële kostprijzen.

Vraag 13

Erkent u dat door te lage tarieven instellingen zijn gaan bezuinigingen op personeel, met name door het terugzetten van personeel van FWG 15 of meer naar FWG 10?

Antwoord 13

Tarieven zijn het resultaat van afspraken die aanbieders en gemeenten gezamenlijk maken. De hoogte van deze tarieven is onder meer afhankelijk van de gemeentelijke invulling van de voorziening, de lokale omstandigheden en de wijze van prijsstelling door de aanbieder.

De afspraken over de juiste inschaling van het personeel worden door sociale partners gemaakt. Deze cao-afspraken dienen door partijen te worden nageleefd. In het arbeidsrecht zijn regels gesteld waardoor werknemers in staat worden gesteld om (individueel dan wel collectief) hun belang veilig te stellen.

Vraag 14

Kunt u, of het Sociaal en Cultureel Planbureau, een overzicht of een schatting geven van het huishoudelijk personeel dat momenteel werkt in FWG 10?

Antwoord 14

Ik heb geen inzicht in de huidige inschaling van het huishoudelijk personeel.

Vraag 15

Wanneer kunnen de gemeenten uw handleiding verwachten over het toepassen van de wet inzake basistarieven en aanbestedingsregels? Is deze uiterlijk 1 september 2012 beschikbaar?

Antwoord 15

Ik ben op dit moment met betrokken partijen in gesprek en verwacht dat de handreiking in de loop van dit najaar beschikbaar is.

Vraag 16

Wat is het macrobudget Wmo huishoudelijke zorg voor 2011, 2012 en 2013? Op welke wijze is dat vastgesteld? Is er nog sprake van onderbesteding of inmiddels van overbesteding? Wordt dit in de toekomst nog gemonitord en, zo ja, op welke wijze?

Antwoord 16

(in € mln.)

2011

2012

2013

Macrobudget huishoudelijke verzorging

1 184

1 235

1 231

  • Het macrobudget 2011 is vastgesteld op basis van het bindend advies van de onafhankelijke derde (SCP) op basis van de realisatiecijfers 2009 en de budgettaire besluitvorming 2010.

  • Het macrobudget 2012 is tot stand gekomen door het macrobudget 2011 te indexeren met 2,38%, zoals bestuurlijk overeengekomen en vastgelegd in de bestuurlijke afspraken.

  • Het macrobudget 2013 is tot stand gekomen door het macrobudget 2012 te indexeren met 2,38%. Het macrobudget is verlaagd als gevolg van de invoering van de vermogensinkomensbijtelling uit het Lenteakkoord (€ 34 mln.). Als gevolg van deze maatregel kunnen gemeenten een hoger eigen bijdrage vragen waardoor het totale beschikbare budget voor de Wmo gelijk blijft.

Volgens het laatste voorlopig advies van de onafhankelijke derde (SCP) was er in 2010 sprake van een zeer beperkte onderbesteding van € 7 mln. Sinds dit advies is de systematiek met de onafhankelijke derde beëindigd. De uitgaven van gemeenten aan huishoudelijke verzorging worden nu jaarlijks – als onderdeel van het cluster maatschappelijke zorg – gemonitord in het Periodiek Onderhoudsrapport van het Gemeentefonds.

Vraag 17

Kunt u deze vragen voor 1 september aanstaande beantwoorden?

Antwoord 17

Dat is helaas niet gelukt.


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2006–2007, nr. 421

X Noot
3

Actiz 30 september 2009, AbvakaboFNV, 11 februari 2010

Naar boven