Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
over tientallen vrouwen die zijn opgelicht en verkeerde borstimplantaten kregen (ingezonden
27 augustus 2012).
Antwoord van minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 25 oktober
2012). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 3378.
Vraag 1
Bent u op de hoogte van het bericht dat artsen bij borstoperaties stiekem goedkope
implantaten van het omstreden merk PIP gebruikten, terwijl de vrouwen borstprotheses
van duurdere, gerenommeerde merken was beloofd?1
Antwoord 1
Ja. Hierbij kan naar mijn mening sprake zijn van misleiding of zelfs oplichting van
deze vrouwen door verantwoordelijken. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Vraag 2 en 3
Hoeveel meldingen zijn er bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de beroepsvereniging
van plastisch chirurgen (NVPC) binnengekomen? Hoeveel van deze klachten zijn afkomstig
van vrouwen die behandeld zijn in privéklinieken, respectievelijk ziekenhuizen? Welke
maatregelen neemt u ten aanzien van de betrokken artsen?
Wat is uw mening over het feit dat verschillende klokkenluiders binnen de plastische
chirurgie tegenover RTL Nieuws hebben verklaard dat deze misstanden op meerdere plekken
voorkomen?
Antwoord 2 en 3
De Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) heeft drie meldingen ontvangen over het
inbrengen van implantaten die anders zouden zijn dan van tevoren was afgesproken.
Het gaat hier om twee ingrepen die respectievelijk in 2001 en 2002 zijn verricht
door twee verschillende privéklinieken en de derde melding betreft een in 2007 door
een ziekenhuis verrichte ingreep. Het gaat hier in alle gevallen om ingrepen die
zijn gedaan voor 2010, het jaar waarin duidelijk werd dat er problemen waren met implantaten
van het merk PIP. Zie voorts mijn antwoord op vraag 8. De NVPC heeft aangegeven dat
bij de NVPC nooit meldingen zijn gedaan van het bewust plaatsen van een ander merk
protheses.
Ik ben van mening dat de beschreven situatie gelet op zijn aard in het civielrechtelijke
domein thuishoort. Het gegeven dat deze afkeurenswaardige situatie zich op meerdere
plaatsen heeft voorgedaan, verandert dat niet.
Vraag 4
Bent u van mening dat met deze handelswijze de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst
is overtreden? Zo ja, welke stappen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al aangeef, ben ik van mening dat de beschreven
situatie, gelet op zijn aard, in het civielrechtelijke domein thuishoort. Het is aan
de benadeelden om daarbinnen hun recht te halen. Daarom hebben wij de rechterlijke
macht die over dit soort misstanden oordeelt. Ook staat de weg naar de tuchtrechter
open.
Vraag 5
In hoeverre is er sprake van misleiding bij het plaatsen van andere dan borstimplantaten?
Antwoord 5
Welke omschrijving voor de concrete situatie precies van toepassing is, hangt af van
de feiten en omstandigheden en deze ken ik onvoldoende. Zoals ik in mijn antwoord
op vraag 4 aangeef, ben ik op grond van de gepresenteerde informatie van mening dat
dit primair een civielrechtelijke kwestie is.
Vraag 6
Hoe kan voorkomen worden dat artsen en commercieel medewerkers van klinieken en ziekenhuizen
zich vooral laten leiden door geld?
Antwoord 6
De kwaliteitswet zorginstellingen schrijft voor dat zorgaanbieders verantwoorde zorg
dienen te leveren. De grenzen van het handelen van artsen wordt daardoor weliswaar
ingeperkt, maar ook als verantwoorde zorg geboden wordt, kunnen kostenoverwegingen
nog steeds een rol spelen. Als het om verzekerde zorg gaat, is het aan zorgverzekeraars
om in het kader van doelmatigheid de prijs van hetgeen geboden wordt te relateren
aan de daarvoor geleverde zorg en de kwaliteit. Als het om onverzekerde zorg gaat,
is het aan de afnemer om goed op de prijs te letten. Als er sprake is van bewuste
oplichting is het aan de rechter om hierover te oordelen. Ook kunnen de benadeelde
vrouwen naar de tuchtrechter stappen.
Vraag 7
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het centrale register voor implantaten?
Antwoord 7
Ik heb besloten dat het centrale register voor implantaten er gaat komen. Ik zal uw
Kamer daarover, zoals toegezegd, binnenkort een brief doen toekomen.
Vraag 8
Deelt u de mening dat de Inspectie onderzoek moet doen naar de mate waarin artsen
een ander, goedkoper implantaat inbrengen dan is afgesproken? Zo nee waarom niet?
Antwoord 8
In relatie tot mijn antwoord op de vragen 1 en 2: mij zijn geen overige signalen bekend
dat het inbrengen van kwalitatief minder goede en/of goedkopere implantaten dan was
afgesproken op grote schaal plaats zou vinden. Ik zie dan ook op dit moment onvoldoende
aanleiding om de IGZ te verzoeken om hiernaar verder onderzoek te doen. Daarbij laat
ik tevens meewegen dat de behandeling die de arts en de patiënt overeenkomen is geregeld
in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). De inspectie houdt
geen toezicht op naleving van deze wet.
X Noot
1RTL nieuws 25-8-2012