Vragen van het lid Van Tongeren (GroenLinks) aan de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken over de rol van de Rijksoverheid bij het inpassen van windparken in de provincie Drenthe (ingezonden 28 juni 2013).

Antwoord van minister Kamp (Economische Zaken), mede namens de minister van Infrastructuur en Milieu (ontvangen 21 augustus 2013)

Vraag 1

Deelt u de mening dat de inpassing van de beoogde projecten voor windparken in de provincie Drenthe onder de verantwoordelijkheid valt van het Rijk, aangezien al deze projecten groter zijn dan 100 MW?

Antwoord 1

Ja, het beoogde windpark «De Drentse Monden en Oostermoer» heeft een omvang groter dan 100 MW en valt derhalve overeenkomstig de Elektriciteitswet 1998 van rechtswege via de rijkscoördinatieregeling (RCR) onder de verantwoordelijkheid van het Rijk.

Vraag 2

Bent u bekend met het feit dat de Gedeputeerde Staten van Drenthe aangeven deze verantwoordelijkheid op zich te willen nemen?1

Antwoord 2

Ik heb kennisgenomen van de antwoorden van 30 mei jl. van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe op de vragen van de Statenleden van GroenLinks, de heer Kuipers en mevrouw Van Dinteren.

Op 22 januari 2013 heb ik samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu afspraken gemaakt met het IPO over de inpassing van 6000 MW windenergie op land. Daarbij geldt voor de RCR-procedure windpark «De Drentse Monden en Oostermoer» in de provincie Drenthe hetgeen in de brief van 14 maart jl. van de Minister van Infrastructuur en Milieu en mij aan IPO is aangegeven:

  • De sinds juni 2011 formeel lopende RCR-procedure voor windpark «De Drentse Monden en Oostermoer» wordt zorgvuldig doorlopen en afgerond.

  • In de milieueffectrapportage wordt ook het alternatief van de provincie Drenthe beoordeeld.

  • Uiteindelijk besluiten de Ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu of en zo ja voor welk alternatief een inpassingsplan wordt gemaakt, na overleg met de provincie Drenthe, de betrokken gemeenten en de initiatiefnemers.

Dit is tijdens een bestuurlijk platform door het Rijk met de provincie en initiatiefnemers afgesproken.

Vraag 3

Op welke wijze bent u van plan de regie bij de Rijksoverheid te houden?

Antwoord 3

Zoals in de ontwerpStructuurvisie Windenergie op land opgenomen, zal ik samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu de regierol invullen overeenkomstig hetgeen daarvoor wettelijk is geregeld in de RCR. Daarbij gaan wij als volgt te werk. Bij windenergieprojecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen wordt door het Rijk samenwerking gezocht met de initiatiefnemers en de betreffende bestuurders van de provincie en gemeenten. Meestal wordt er onder voorzitterschap van de provincie een stuurgroep ingesteld voor overleg en afstemming over het desbetreffende windproject.

In het geval van RCR-windpark «De Drentse Monden en Oostermoer», is er een bestuurlijk platform ingesteld met de volgende deelnemers: de wethouders van de gemeenten Borger-Odoorn en Aa en Hunze, de gedeputeerden van de provincie Drenthe, de initiatiefnemers, de MER-adviseur en vertegenwoordigers van de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken.

Het betreft een platform, waarin overleg, afstemming en informatievoorziening plaatsvindt. Besluitvorming met betrekking tot de ruimtelijke inpassing is en blijft voorbehouden aan het Rijk. Het gaat hier immers om een project dat krachtens de Elektriciteitswet 1998 is aangemerkt als een nationaal belang waarvoor het Rijk de verantwoordelijkheid draagt. In aanvulling op de ruimtelijke inpassing coördineert de Minister van Economische Zaken de besluitvorming en bekendmaking van de overige benodigde besluiten (vergunningen, ontheffingen).

De bevoegdheid tot het nemen van die besluiten blijft in beginsel bij het daartoe bevoegde gezag.

Vraag 4

Bent u bereid de twee lopende beoogde projecten voor windparken (de Drentse Monden en Oostermoer) en één variant uit de provinciale gebiedsvisie windenergie onafhankelijk van elkaar in het MER-onderzoek te beoordelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de daaruit voortkomende beste optie voor windenergie in Drenthe uit te voeren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Ja, in het plan-MER zijn globaal drie varianten onderzocht van de initiatiefnemers en de variant uit de provinciale gebiedsvisie.

Op dit moment wordt het project-MER voorbereid, waarbij voor het windpark tot in detail opstellingsvarianten van windmolens worden onderzocht. Uitgangspunt daarbij is de opstellingsvariant die in het plan-MER het beste scoorde en een omvang heeft van maximaal 255 MW. Daarbinnen zal de variant uit de provinciale gebiedsvisie aandacht krijgen.

Na afweging van alle belangen zal het Rijk uiteindelijk een ontwerpinpassingsplan vaststellen.


X Noot
1

Provincie Drenthe, 22/3.1/2013003150 (30 mei 2013).

Naar boven