Vragen van het lid Van Tongeren (GroenLinks) aan de minister van Veiligheid en Justitie en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de gebrekkige informatievoorziening na de brand bij chemiebedrijf ELD in Oosterhout (ingezonden 7 juni 2013).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 1 juli 2013).

Vraag 1

Kent u het bericht dat er veel gebreken waren ten aanzien van de informatievoorziening gericht aan burgers volgend op de brand bij chemiebedrijf ELD in Oosterhout?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening dat het voor de veiligheid van burgers van groot belang is dat zij zo snel en adequaat mogelijk geïnformeerd worden bij dit soort calamiteiten?

Antwoord 2

Wanneer burgers snel geïnformeerd worden bij incidenten en calamiteiten, kan dit bijdragen aan hun veiligheid, het beperken van schade en van onrust. Het vertrekpunt van de communicatie is de impact van het incident op de samenleving en de informatiebehoefte van die samenleving.

Vraag 3

Is er in deze zaak gehandeld volgens het aanwezige communicatieplan voor dit soort incidenten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Communicatie bij dit soort incidenten is een lokale verantwoordelijkheid. De lokale autoriteiten hebben mij gemeld dat er is gehandeld conform plan, maar ook dat men zich – achteraf – realiseert dat de communicatie richting effectgebied onvoldoende is geweest. De generieke informatie heeft onvoldoende aangesloten op de behoefte bij de inwoners in het effectgebied.

Vraag 4

Acht u de inzet van het luchtalarm bij een dergelijke calamiteit noodzakelijk? Zo ja, waarom is deze na de brand niet afgegaan in de regio Oosterhout?

Antwoord 4

De inzet van de sirene (of WAS: Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) heeft als doel om burgers de volgende boodschap te geven: ramen en deuren sluiten, mechanische luchtverversing afzetten, rampenzender aanzetten. Gezien het feit dat een zwarte rook opsteeg en over het gebied trok had dit systeem, ook uit voorzorg, ingezet kunnen worden. De veiligheidsregio heeft mij gemeld dat de dienstdoende officiëren, die vanuit hun functie over de meest actuele en relevante informatie beschikten, een afweging hebben gemaakt en besloten hebben het WAS niet in te zetten. De reden hiervoor was dat er geen moment sprake is geweest van een gezondheidsbedreigende situatie.

Vraag 5

Acht u de inzet van het NL-Alert voor zowel alarmering als informatievoorziening bij een dergelijke calamiteit noodzakelijk? Zo ja, waarom werd het NL-Alert pas twee en een half uur na de melding van de brand verstuurd?

Antwoord 5

Gezien het feit dat een zwarte rook opsteeg en over het gebied trok had dit systeem, ook uit voorzorg, ingezet kunnen worden. Ook bij de inzet van NL-Alert is het van groot belang dat de samenhang en inhoud van de verschillende communicatiemiddelen bewaakt wordt. Bij een calamiteit met lokale impact zijn de lokale autoriteiten verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de bevolking. Zij beslissen op welk moment ze welk middel inzetten.

Vraag 6

Wat is uw oordeel over de publieke informatievoorziening tijdens en na de calamiteiten bi j het chemiebedrijf ELD te Oosterhout en welke aandachtspunten leidt u hieruit af voor de toekomst?

Antwoord 6

Ik ben van mening dat alarmering van de omwonenden uit voorzorg had moeten plaatsvinden en dat informatievoorziening over het incident beter en sneller had gekund. Daarvoor staan de lokale autoriteiten verschillende communicatiemiddelen ter beschikking. Van groot belang is echter dat bij een incident de betrokken hulpdiensten en overheden zich rekenschap geven van wat er leeft onder de bevolking. De analyse van social media van de start van een incident kan daarbij helpen. De communicatie kan dan (in inhoud en frequentie) beter aansluiten op de informatiebehoefte van het publiek. Met de ervaringen en vooral gevoelens van de bevolking rond Chemie-Pack in het achterhoofd had de impact van deze brand en de rookontwikkeling hier een extra aandachtspunt moeten zijn. Naar ik heb begrepen, heeft ook de directeur van de veiligheidsregio Midden en West Brabant zich in deze termen uitgesproken.

Met name rond de informatie- en crisiscommunicatie-aspecten vindt een evaluatie plaats.

Vraag 7

Herinnert u zich het rapport «Brand Chemie-Pack Moerdijk», opgesteld door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, waarin onder meer wordt geconcludeerd dat overheidsdiensten grote angst bij omwonenden hebben gewekt door hun gebrekkige informatievoorziening? Zo ja, welke stappen heeft u daarna gezet om de informatievoorziening naar de burgers te verbeteren?

Antwoord 7

Dat rapport herinner ik mij. Sinds 2011 heb ik een aantal concrete stappen genomen ter verbetering van de crisiscommunicatie:

  • 1) In juli 2012 heb ik gezorgd voor meer coördinatie van de crisiscommunicatie op het nationale niveau, door de instelling van het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie. Het crisiscommunicatieteam bij het NCC is versterkt per 1 oktober 2012 door de samenvoeging met de NCTb. Dit team is 24/7 beschikbaar voor gemeenten, veiligheidsregio’s en departementen voor advies, middelen en netwerk op het gebied van crisiscommunicatie.

  • 2) In november 2012 heb ik het instrument NL-Alert geïntroduceerd als aanvulling voor bestaande communicatiemiddelen. Omdat NL-Alert een nieuwe technologie is, en de werking afhankelijk is van providers, telefoontoestellen en telefoongebruikers, en er ervaring met de inzet ervan moet worden opgedaan, is dit een aanvullend middel dat doorontwikkeld wordt.

  • 3) Voor het versterken van de crisiscommunicatie op regionaal niveau heb ik eind mei 2013 de volgende afspraken met het Veiligheidsberaad gemaakt:

    • a) Omdat communicatie in de eerste uren van een incident cruciaal is, stel ik kwaliteitseisen aan de organisatie van de crisiscommunicatie op regionaal niveau door middel van landelijke doelstellingen crisiscommunicatie.

    • b) Ik ga opleidingen subsidiëren voor sleutelfunctionarissen crisiscommunicatie in 2013 en 2014 (voor het ontwikkelingen van de opleidingsmodules heb ik reeds in 2012 subsidie en expertise beschikbaar gesteld).

    • c) Ik ga het netwerk versterken tussen nationale en regionale sleutelfunctionarissen crisiscommunicatie en de kennis over rollen en verantwoordelijkheden van nationale, regionale en lokale overheden beter borgen.

    • d) Er komt een bovenregionale pool crisiscommunicatie, van regionale experts, die bij grote of specifieke incidenten kunnen ondersteunen (naar verwachting eind 2013/begin 2014 operationeel).

  • 4) In april 2011 heeft het Nationaal Crisiscentrum (NCC) Twittertips gepubliceerd, ten behoeve van lokale, regionale en nationale crisiscommunicatie. Begin juni 2012 is een nieuw, robuust www.crisis.nl opgeleverd, inclusief mogelijkheid tot koppeling met social media. In 2012 heeft het NCC 45 regioredacteuren getraind in het gebruik van de website.

Vraag 8

Hoe beoordeelt u de voortgang in de verbetering van de publieke informatievoorziening tijdens en na de calamiteiten? Welke (vervolg)maatregelen neemt u zich voor om burgers in dit soort gevallen sneller en beter te informeren?

Antwoord 8

De eerste verbetermaatregelen zijn in gang gezet, zoals gemeld bij vraag 7. De doorwerking van die maatregelen heeft tijd nodig, omdat functionarissen moeten worden opgeleid en getraind. Een aantal verbetermaatregelen is op 31 mei vastgesteld in overleg met het Veiligheidsberaad. De implementatie daarvan is gestart.

De Minister van VWS heeft deze maand een handreiking gepubliceerd, te vinden op www.rivm.nl: «Communicatie over gevaarlijke stoffen», voor lokale bestuurders en hun communicatieadviseurs.

Naar boven