Vraag 1, 2, 3 en 6
Bent u ermee bekend dat in sommige gemeenten – in situaties waarin twee personen samenwonen
en één van de partners aanspraak moet maken op de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de
andere partner studiefinanciering ontvangt – de studerende partner verplicht wordt
de maximale aanvullende studiefinanciering te lenen naast de basisbeurs en deze lening
door de sociale dienst als voorliggende voorziening van de bijstandsuitkering wordt
gezien? Zo ja, op welke wetsartikelen stoelt deze gemeentelijke praktijk?1
Acht u het wenselijk dat gemeenten de studiefinanciering als voorliggend voorziening
gebruiken en hiermee gezinnen of partners stimuleren om zich in de schulden te steken?
Zo nee, bent u bereid om deze praktijk te veranderen?
Deelt u de mening dat een opleiding de beste verzekering is tegen toekomstige werkloosheid
en opleidingstrajecten niet in de knop gebroken moeten worden omdat de partner van
een student aanspraak moet maken op een bijstandsuitkering? Kunt u dit toelichten?
Bent u bereid om de geleende studiefinanciering als voorliggende voorziening voor
de bijstandsuitkering te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 1, 2, 3 en 6
Hoe gemeenten precies omgaan met het leendeel van de studiefinanciering van de partners
van bijstandsgerechtigden kan ik u niet zeggen. Daarover worden geen gegevens bijgehouden.
Wel kan ik aangeven binnen welk wettelijk kader gemeenten opereren.
Artikel 15, eerste lid, van de WWB bepaalt dat er geen recht op bijstand bestaat voor
zover een beroep kan worden gedaan op een toereikende en passende voorliggende voorziening.
Studiefinanciering, inclusief de mogelijkheid om een rentedragende lening af te sluiten,
geldt volgens constante jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep als een dergelijke
voorziening. Deze passendheid wordt, aldus de jurisprudentie, niet aan die voorziening
ontnomen door het feit dat de belanghebbende een aanzienlijke studieschuld opbouwt.2
In de situatie waar u op doelt (ene partner heeft bijstand, andere partner studiefinanciering)
heeft de bijstandgerechtigde partner recht op algemene bijstand naar de norm voor
een alleenstaande (artikel 24 WWB). Vervolgens dient de gemeente te bezien hoe zij
de inkomsten uit studiefinanciering van de studerende partner in beschouwing neemt
voor de gezamenlijke middelentoets. Dit inkomen wordt slechts in aanmerking genomen
voor zover het gezamenlijk inkomen van beide partners (inclusief de bijstandsuitkering
van de ene partner) meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden (artikel
32, derde lid, van de WWB). Daarnaast regelt artikel 33, tweede lid, van de WWB, dat
bij bedoelde situatie alleen het deel van de studiefinanciering dat is bedoeld voor
levensonderhoud meetelt («normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in
artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000»). Dit normbedrag bestaat uit de basisbeurs,
de maximale aanvullende beurs en de basislening. Dat een deel van dit normbedrag bestaat
uit een – naar keus van belanghebbende al dan niet af te sluiten – lening doet daar
niet aan af.3 Centraal staat of er een beroep op een voorliggende voorziening gedaan kan worden,
niet of dat feitelijk ook wordt gedaan. Mogelijk ontstaat hierdoor bij belanghebbenden
de indruk dat zij maximaal moeten lenen. Dat is niet het geval, maar anderzijds is
het ook niet zo dat er door niet te lenen recht op meer bijstand ontstaat. Voor de
volledigheid merk ik op dat ouders met inwonende studerende kinderen die enkel inkomsten
hebben uit studiefinanciering recht hebben op de volledige bijstandsnorm; de beschreven
casus richt zich op de situatie van twee partners.
Uiteraard is een opleiding de beste verzekering tegen toekomstige werkloosheid. Van
mensen mag echter in redelijkheid wel het een en ander worden verwacht om ook tijdens
een studie bijstandsafhankelijkheid te voorkomen. Ik kan dan ook niet meegaan in uw
suggestie om geleende studiefinanciering als voorliggende voorziening voor de bijstandsuitkering
te schrappen.
Vraag 4 en 5
Wat is de reden dat er voor schoolverlaters – die de opleiding succesvol met een diploma
hebben afgesloten – een schoolverlaterskorting in de Wet Werk en Bijstand is geïntroduceerd
voor de duur van zes maanden?
Is het realistisch om – in tijden van hoge werkloosheid – bijstandsgerechtigden die
succesvol een opleiding hebben afgesloten zes maanden een korting te geven op de bijstandsuitkering
vanwege het feit dat de bijstandsuitkering hoger is dan de voormalige studiefinanciering
en zij hierdoor financieel voordeel zouden hebben? Bent u voornemens om dit artikel
uit de Wet Werk en Bijstand te schrappen?
Antwoord 4 en 5
Artikel 28 van de WWB geeft het college de mogelijkheid de norm lager vast te stellen
als belanghebbende recent zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd. Reden
hiervan is dat belanghebbende tijdens de studieperiode zijn bestedingen heeft afgestemd
op het beperkte inkomen uit studiefinanciering en zijn noodzakelijke bestaanskosten
niet onmiddellijk toenemen zodra er een beroep op bijstand wordt gedaan. Aangezien
de bijstand is bedoeld als een voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan,
en deze kosten bij schoolverlaters lager zijn, acht ik dit een realistische artikel.
Ik ben dan ook niet voornemens dit artikel te schrappen.