Vragen van de leden Heerma en Rog (beiden CDA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over een verplichte taaltoets voor hbo-ers (ingezonden 15 maart 2013).

Antwoord van staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 10 april 2013).

Vraag 1

Bent u bekend met het feit dat ook afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs (hbo) de taaltoets voor VVE moeten afleggen?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening dat de taaltoets voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE) met name bedoeld is om te kijken of het taalniveau van mbo-leidsters in orde is?

Antwoord 2

De taaltoets is bestemd voor pedagogisch medewerkers die werkzaam zijn voor VVE in de 37 grootste steden (G37). Veruit de meeste pedagogisch medewerkers hebben een mbo3-diploma, maar er zijn ook medewerkers met een mbo4-diploma en met andere opleidingen, waaronder hbo. Het doel van de taaltoets is een actueel beeld te krijgen van het taalniveau van alle medewerkers die in de VVE met kinderen werken. De resultaten van de toetsen worden door de Onderwijsinspectie in 2013 en 2015 gebruikt om te kunnen meten of de G37 de afgesproken resultaten uit de Bestuursafspraken VVE hebben behaald en of de voorschoolse instellingen daarmee hebben voldaan aan de motie Beertema.2

Vraag 3

Kunt u aangeven waarom iemand met een hbo-diploma ook nog moet bewijzen dat hij of zij taalniveau 3F beheerst, dat overeenkomt met einde havo? Komt dat niet overeen met devaluatie van de gehaalde kwalificatie? Is het niet zo dat je zonder dit vereiste taalniveau moeilijk het hbo-diploma kan behalen? Wat voegt de taaltoets naast een hbo-diploma toe?

Antwoord 3

Kinderen met een taalachterstand hebben een voorschoolse omgeving nodig die een rijke taalomgeving biedt. Wij moeten dan zekerheid hebben dat de werkers in de VVE het Nederlands in voldoende mate beheersen om de kinderen echt te kunnen helpen met hun taalontwikkeling. Wetenschappelijk onderzoek heeft laten zien dat dit nog niet het geval is.3 Voor de meeste afgegeven mbo- en hbo-diploma’s geldt dat de Nederlandse taal (nog) geen onderdeel uitmaakt van de opleiding respectievelijk van de landelijke examinering. Het gaat erom wat mensen kunnen, zolang de diploma’s die garantie niet geven.

Wij hebben ons gebaseerd op de ervaring in Amsterdam, waar men al een paar jaar geleden is begonnen met het verhogen van het taalniveau van pedagogisch medewerkers en onderwijsassistenten. Alle pedagogisch medewerkers in de VVE zijn daar getoetst, ongeacht de vooropleiding. Daarbij haalde de helft van de mbo3-ers de toets al de eerste keer en haalden sommige hbo-ers de toets niet. Is het Nederlands van een (hbo-opgeleide) medewerker goed genoeg, dan zal de toets dat laten zien.

Het zou ook lastig worden om bepaalde opleidingen uit te zonderen; zo zijn er in peuterspeelzalen bijvoorbeeld mensen met oudere opleidingen die moeilijk in te delen zijn of mensen die een opleiding maar gedeeltelijk hebben afgemaakt of via een EVC-procedure een gelijkschakeling hebben verkregen.4 Ook binnen een team is het lastig te verkopen, wanneer sommige medewerkers niet mee hoeven te doen aan de toets. De ervaring leert dat pedagogisch medewerkers van tevoren opzien tegen de toets. Wanneer de medewerkers de toets (al dan niet na bijscholing) eenmaal hebben gehaald, zijn ze trots op het resultaat en geven ze aan meer plezier te hebben in het werken met taal. Bovendien kunnen de medewerkers die de toets gehaald hebben, zich in een krimpende arbeidsmarkt positief onderscheiden.

Tenslotte heeft de Onderwijsinspectie een actueel bewijs van taalvaardigheid nodig om te kunnen constateren of het vereiste taalniveau aanwezig is. Om al die redenen is ervoor gekozen om alle pedagogisch medewerkers te toetsen ongeacht de vooropleiding. Wanneer de referentieniveaus zijn doorgevoerd in het voortgezet onderwijs en wanneer het vereiste taalniveau voor VVE deel uitmaakt van de beroepsopleidingen, is dit niet meer nodig.

Vraag 4

Klopt het dat gemeenten ook afgestudeerden van het hbo mogen dwingen om een taaltoets af te leggen en bij weigering kunnen ontslaan? Zo nee, bent u bereid dit onder aandacht van de gemeenten te brengen?

Antwoord 4

Medewerkers die niet in dienst zijn van de gemeente kunnen door de gemeente niet worden ontslagen. Gemeenten stellen subsidievoorwaarden aan voorschoolse instellingen die VVE-subsidie ontvangen. Dat was ook de strekking van de motie Beertema en van de motie Beertema/Elias.5 De voorschoolse instellingen hebben in hun rol als werkgever de plicht er voor te zorgen dat hun medewerkers voldoen aan de subsidievoorwaarden. Bij goed werkgeverschap hoort een goed personeelsbeleid. Wanneer medewerkers blijvend niet voldoen aan de eisen kan ontslag door de werkgever de uiterste consequentie zijn. Het voorbeeld van Amsterdam leert dat vrijwel alle medewerkers (uiteindelijk) slagen voor de toets, wanneer je de tijd neemt voor een zorgvuldig proces en wanneer je voldoende nascholing en herkansingen biedt. Het is aan de werkgever om te bepalen wat te doen met werknemers die de norm definitief niet halen. Meestal kunnen deze medewerkers buiten de VVE worden herplaatst.

Vraag 5

Deelt u de mening dat dit een onwenselijke en onnodige uitvoering van de motie Beertema is?6

Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Op bovengenoemde wijze wordt recht gedaan aan de motie Beertema die «de regering verzoekt er in te voorzien dat vve-instellingen op de kortst mogelijke termijn alleen nog worden bekostigd als die gebruik maken van de diensten van assistenten die beschikken over een geborgd taalniveau Nederlands op 3F». Het taalniveau van de pedagogisch medewerkers is essentieel voor de taalontwikkeling van de kinderen.


X Noot
1

email, d.d. 15 januari 2013, onderhands meegezonden

X Noot
2

Kamerstuk, 28 760 nr. 30

X Noot
3

Droge, S., Sijkerbuijck, E. & Kuiken, F. (2010) Het taalniveau Nederlands van Amsterdamse leidsters in de kinderopvang en de voor- en vroegschoolse educatie. Eindrapport. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

X Noot
4

Erkennen van Verworven Competenties

X Noot
5

Kamerstuk, 28 760 nr. 24

X Noot
6

Kamerstuk, 28 760, nr. 30

Naar boven