Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-20131467

Vragen van de leden Pechtold en Schouw (beiden D66) aan de minister van Veiligheid en Justitie over vervolgingen en veroordelingen wegens majesteitsschennis (ingezonden 6 februari 2013).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 1 maart 2013) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1414

Vraag 1

Wat is uw reactie op het bericht «Majesteitsschennis is springlevend»?1

Antwoord 1

De stelling in het artikel dat er in het afgelopen decennium sprake is van een toename van het aantal vervolgingen wegens majesteitsschennis wordt niet ondersteund door de cijfers die ik van het Openbaar Ministerie (OM) heb ontvangen. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de hierna volgende vragen.

Vraag 2

Herinnert u zich de mondelinge vragen over het politieoptreden op 1 februari 2013 waarbij iemand wegens het uiten van kritische teksten over de monarchie weggestuurd is?2

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Hoeveel burgers zijn vanaf 2000, gespecificeerd per jaar, veroordeeld voor majesteitsschennis? Op grond van welke wetsartikelen zijn zij veroordeeld?

Antwoord 3

De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal personen dat volgens cijfers van het OM in eerste aanleg is veroordeeld voor het overtreden van artikel 111 (belediging Koning), artikel 112 (belediging echtgenoot Koning etc.) en artikel 113 (verspreiden etc. van beledigend geschrift/afbeelding) van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012.

Art.

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

111

1

   

2

 

1

1

1

1

2

1

1

1

112

1

 

1

1

                 

113/1

                         

113/2

                     

1

 

Totaal

2

0

1

3

0

1

1

1

1

2

1

2

1

Vraag 4

Hoeveel zaken heeft het Openbaar Ministerie (OM) sinds 2000, gespecificeerd per jaar, ingeschreven in verband met ondermijning van de koninklijke waardigheid? Op grond van welke wetsartikelen stelde het OM vervolging in?

Antwoord 4

De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal zaken dat het OM inschreef op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. De toename van de instroom in het jaar 2002 kan worden verklaard uit de aanhoudingen die zijn verricht op de dagen rond het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima.

Art.

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

111

3

   

3

 

5

1

5

2

1

2

1

1

112

2

 

3

                 

1

113/1

 

1

21

   

1

         

1

 

113/2

                   

1

   

Totaal

5

1

24

3

0

6

1

5

2

1

3

2

2

Het onderstaande overzicht betreft het aantal zaken waarin het OM een verdachte dagvaardde op grond van artikelen 111 tot en met 113 van het Wetboek van Strafrecht in de jaren 2000–2012. Daarnaast legde het OM in 2012 in één zaak een OM-strafbeschikking op voor overtreding van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht.

Art.

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

111

     

2

 

1

1

2

2

1

2

1

1

112

   

2

1

                 

113/1

                         

113/2

                     

1

 

Totaal

0

0

2

3

0

1

1

2

2

1

2

2

1

Vraag 5

Waarom is het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het einde van de jaren negentig toegenomen?

Antwoord 5

Uit cijfers van het OM blijkt dat in 1998 één persoon werd gedagvaard op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht en in 1999 vier personen op grond van dit artikel en een op grond van artikel 112 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van deze cijfers en de cijfers over de periode 2000–2012 deel ik uw conclusie dat er sprake is van een toename van het aantal vervolgingen in verband met majesteitsschennis sinds het eind van de jaren negentig niet.

Vraag 6

Deelt u de mening dat belediging van het Staatshoofd niet zwaarder bestraft behoeft te worden dan belediging van gewone burgers of bevolkingsgroepen, maar dat het Staatshoofd naar de rechter kan wanneer hij zich belasterd voelt, vergelijkbaar met de situatie in België en Groot-Brittannië? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht wordt opzettelijke belediging van de Koning gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie. Het gaat hier om een bijzondere strafbaarstelling in vergelijking tot de misdrijven die in artikelen 261 en verder van het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld. In die artikelen worden verschillende vormen van belediging onderscheiden, zoals smaad, laster en eenvoudige belediging, en met straffen bedreigd die naar de mate van de ernst van het delict variëren. In dat kader bevat artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht strafverhogingen voor vormen van belediging die onder meer het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening betreffen. De strafwetgever heeft voor het misdrijf van artikel 111 geen aanleiding gezien om onderscheidingen aan te brengen in de vormen van strafbare belediging. Gelet op de personen tegen wie dat misdrijf wordt gepleegd, draagt blijkens de wetsgeschiedenis elke belediging een zodanig ernstig karakter dat de onderscheidingen van de artikelen 261 en verder wat betreft de strafsancties en kwalificaties buiten aanmerking blijven3. Ik zie thans geen aanleiding om van deze overwegingen afstand te nemen.

Vraag 7

Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op betoging zwaarder wegen dan de artikelen betreffende majesteitsschennis? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

De strafbaarstellingen van belediging kunnen indruisen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van betoging. De vraag wanneer een beperking op deze rechten kan worden gerechtvaardigd, moet naar de specifieke feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld.

Vraag 8

Deelt u de mening dat het OM geen prioriteit moet geven aan majesteitsschennis en de relevante artikelen als dode letter dient te beschouwen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u het OM hiertoe opdracht geven?

Antwoord 8

De handhaving van strafbaarstellingen van belediging en majesteitsschennis heeft geen prioriteit.

Vraag 9

Bent u bereid een wetsvoorstel voor te bereiden om belediging van burgers en leden van het Koninklijk Huis gelijk te bestraffen en bij de Kamer in te dienen, waarbij de artikelen 111,112,113 en 114, tweede lid, Wetboek van Strafrecht alsook de artikelen 118,119,121 en 122, tweede lid, Wetboek van Strafrecht BES worden geschrapt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?

Antwoord 9

Om de redenen zoals verwoord in antwoord op de vragen 6 en 7 luidt het antwoord op deze vraag ontkennend.


X Noot
1

NRC Handelsblad, Majesteitsschennis is springlevend, 3 augustus 2012.

X Noot
2

Mondelinge vragen van het lid Pechtold, gesteld op 5-2-2013.

X Noot
3

Noyon-Langemeijer-Remmmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 111, aant. 1a, (suppl. 100 (1998)