Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie over de barrières bij de gezinshereniging van vluchtelingen (ingezonden 7 december 2012).

Antwoord van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 23 januari 2013) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 944

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitzending De Vijfde Dag van donderdag 6 december 2012 over de gezinshereniging van vluchtelingen? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Hoelang duurt het nog voordat we naar onze moeder kunnen» van Defence for Children en Vluchtelingenwerk Nederland?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Wat is uw reactie op deze uitzending en op dit rapport?

Antwoord 2

De nareisprocedure is een zorgvuldige procedure die gezinshereniging voor asielvergunninghouders mogelijk maakt, zonder dat zij aan bijvoorbeeld het middelenvereiste hoeven te voldoen. Vanwege ervaringen uit het verleden is er aandacht voor het tegengaan van fraude. Hiermee wordt tevens geborgd dat er geen kinderen worden onttrokken aan het ouderlijk gezag van een achterblijvende ouder, worden gesmokkeld of zelfs verhandeld.

Asielvergunninghouders en hun gezinsleden zijn vaak niet in het bezit van documenten om de gezinsband aan te tonen. In die gevallen kan door middel van DNA-onderzoek en/of identificerend onderzoek de (biologische) gezinsband worden vastgesteld.

De toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel heeft gekeken naar de uitvoering van het nareisbeleid en medio 2012 de Tweede Kamer en Eerste Kamer hierover uitgebreid geïnformeerd1, en ik verwijs u graag hiernaar. Conclusie van De toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel was – onder meer naar aanleiding van een werkbezoek in Kenia – dat er sprake is van een zorgvuldige procedure, waarbij ook ten volle aandacht is voor het tegengaan van fraude. In deze brief is een aantal wijzigingen in de uitvoering van het nareisbeleid gepresenteerd, waarvan de belangrijkste maatregel is dat bij biologische gezinsleden van kerngezinsleden (bestaande uit beide partners en hun gezamenlijke biologische minderjarige kinderen) DNA-onderzoek wordt uitgevoerd als er geen documenten zijn, en er in beginsel geen identificerend gehoor plaatsvindt. Op basis van DNA-onderzoek (waaruit de relatie tussen beide ouders en hun gezamenlijke kinderen blijkt) en de verklaringen van de hoofdpersoon wordt de gezinsband aangenomen. Op deze manier blijft er voldoende aandacht voor fraude, die vooral plaatsvindt en kan vinden bij complexe gezinsbanden zoals samengestelde gezinnen en pleegkinderen. Overige gezinsleden krijgen daarom nog steeds een identificerend gehoor.

Ik herken het beeld dat door VluchtelingenWerk Nederland (VWN) en Defence for Children (DfC) wordt neergezet aangaande de nareisprocedure dan ook niet. De kritische toonzetting van het rapport en van de televisie-uitzending verbaast mij. Vanaf begin 2012 is intensief samengewerkt met VWN naar aanleiding van alle kritiek op de nareisprocedure en de genoemde aanpassingen in de uitvoering zijn in overleg met VWN tot stand gekomen. Over de wijze van horen op de ambassades is eveneens met VWN uitgebreid gesproken en onder andere zijn verbeteringen aangebracht ten aanzien van de verslaglegging van de gehoren.

Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in oktober 20122 geoordeeld dat de wijze van horen op de ambassades op een goede manier plaatsvindt. In deze uitspraak zijn eveneens alle kritische punten besproken die in het rapport en in de uitzending genoemd zijn, zoals de kwaliteit van de tolken en de aard van de vragen die gesteld worden. Verder vindt er regelmatig overleg plaats tussen VWN en de IND over knelpunten in individuele zaken, waarbij constructief naar een oplossing wordt gezocht.

Vraag 3

Bent u bereid te reageren op de aanbevelingen in het rapport? Bent u tevens bereid deze aanbevelingen op te volgen?

Antwoord 3

Ja, daar ben ik toe bereid. Een beknopte reactie geef ik reeds in deze beantwoording, en hieruit moge blijken dat ik het niet met alle elementen uit het rapport eens ben. U ontvangt in het voorjaar van 2013 een uitgebreidere reactie.

Vraag 4

Deelt u de mening dat de huidige praktijk van de nareis van gezinsleden van vluchtelingen ervoor kan zorgen dat kinderen niet met hun ouders herenigd kunnen worden?

Antwoord 4

Het nareisbeleid heeft als doel gezinsleden te herenigen die gescheiden zijn door de vlucht van de hoofdpersoon. De bewijslast dat aan de voorwaarden wordt voldaan ligt bij de vreemdeling. Door middel van identificerende gehoren en DNA-onderzoek wordt de vreemdeling die geen documenten heeft om de gezinsband aan te tonen, gefaciliteerd om deze alsnog aannemelijk te maken. Zoals door mij is aangegeven en ook in de genoemde brief van mijn voorganger uit juli 2012 is beschreven, zien de vragen op basale zaken waarop gezinsleden die daadwerkelijk samen een gezin hebben gevormd, eenduidig zouden moeten kunnen antwoorden. Futiele tegenstrijdigheden worden in dit verband uiteraard niet aangerekend.

Vraag 5

Bent u bereid om het criterium «feitelijke gezinsband» voor vluchtelingen af te schaffen, zodat zij niet achtergesteld worden ten opzichte van reguliere gezinsherenigers? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Dit betreft een van de aanbevelingen en zal nog aan de orde komen in mijn reactie op het rapport. Daarbij wil ik al melden dat het feitelijk behoren tot het gezin een wettelijke eis is voor nareizigers.

Vraag 6

Bent u bereid de zaken die sinds 2009 onder het aangescherpte beleid zijn afgewezen, te herzien, zodat afgewezen kinderen alsnog herenigd kunnen worden met hun ouders en zij zo dezelfde behandeling krijgen als de huidige groep gezinsherenigers? Bent u bereid aan deze groep biologische kinderen alsnog een DNA-onderzoek aan te bieden, waarbij met een positieve uitkomst de gezinsband wordt aangenomen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 3 aangezien dit een van de aanbevelingen betreft.

Vraag 7

Wat zijn de onderliggende gegevens over fraude die de afwijzingspercentages van 82% in 2011 en 2012 zouden rechtvaardigen? Kunt u onderbouwen of er daadwerkelijk sprake is van fraude, wat voor fraude dit dan betreft, en in welke mate die fraude voorkomt?

Antwoord 7

Nareisaanvragen kunnen om verschillende redenen worden afgewezen en in de meeste gevallen gebeurt dit omdat niet voldaan is aan de voorwaarden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om vreemdelingen die niet onder het nareisbeleid vallen omdat de feitelijke gezinsband verbroken is (bijvoorbeeld een meerderjarig kind met een eigen gezin). De afwijzingsgronden worden niet apart geregistreerd en zijn dus niet uit de systemen te genereren. Bij de meeste nareiszaken die worden afgewezen is dat, volgens een inschatting van de IND, wegens het ontbreken van de feitelijke gezinsband. Een afwijzing betekent niet per definitie dat er sprake is van fraude. Wel is in het verleden veel fraude in nareiszaken geconstateerd en daarom is de behandeling van de aanvragen aangepast, hetgeen er toe heeft geleid dat er meer zaken zijn afgewezen.


X Noot
1

Kamerstukken II, Vergaderjaar 2011–2012, 19 637 nr. 1568

X Noot
2

Uitspraken nummers 201200429/1/VI, 201200426/1/VI, 201108774/1/VI, 201200907/1/VI en 201200425/1/VI (allemaal van 10 oktober 2012)

Naar boven