Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013108

Vragen van het lid Omtzigt (CDA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de derivatenpositie en de risicobeheersing van pensioenfondsen en andere instellingen (ingezonden 31 augustus 2012).

Antwoord van staatssecretaris De Krom (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 27 september 2012).

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het artikel «tegenpartij risico van pensioenfondsen beperkt»? 1 waarin gesteld wordt dat op dit moment het tegenpartij risico voor de derivatenposities van pensioenfondsen beperkt is, maar «een verdere neerwaartse bijstelling van de kredietwaardigheid van (zaken)banken is in de huidige precaire financieel-economische omstandigheden zeker niet uit te sluiten. Waakzaamheid vanuit zowel de sector zelf als DNB blijft daarom geboden ten aanzien van de blootstelling aan tegenpartijrisico’s.»?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Acht u het risico bij de pensioenfondsen voldoende beheerst op dit moment, inclusief de voorraad onderpand die zij voorradig hebben?

Antwoord 2

Ja. Uit het DNB-onderzoek waarop het DNB-artikel «Tegenpartij risico van pensioenfondsen beperkt» is gebaseerd, blijkt dat de onderzochte fondsen derivatenposities hebben uitstaan bij 57 verschillende tegenpartijen, waarbij 93% van de fondsen 6 of meer verschillende tegenpartijen heeft. Voorts blijkt dat de totale waarde van de uitstaande derivaten van pensioenfondsen voor 102% door onderpand wordt gedekt.

Vraag 3

De marktwaarde van de renteswaps van pensioenfondsen bedraagt volgens DNB ongeveer € 55 miljard, heeft u enig inzicht welke marktpartijen een tegenovergestelde positie ingenomen hebben en dus op een negatieve waarde van hetzelfde bedrag?

Antwoord 3

Het beeld dat in het antwoord op vraag 2 is geschetst voor het totaal van de derivatenposities van pensioenfondsen geldt ook voor de posities in renteswaps.

Vraag 4

Heeft u er kennis van genomen dat brokers en adviseurs trots melden dat zij «brokerage» leveren voor vele lokale en provinciale overheden en een groot aantal zorginstellingen (zie bijvoorbeeld www.dhv.nl)?

Antwoord 4

Ja.

Vraag 5

Heeft u inzicht in de derivatenposities van publieke en semi-publieke instellingen, zoals woningbouwcoöperaties, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en decentrale overheden en of hun beleid adequaat is?

Antwoord 5

Het inzicht in derivatenposities van verschillende instellingen is niet op één plaats beschikbaar.

  • Voor woningbouwcorporaties is onlangs door het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) onderzoek gedaan naar de omvang en risicobeheersing van de sectorale derivatenportefeuille2.

  • Binnen het ministerie van OCW loopt momenteel o.a. een onderzoek naar het financiële cijferbeeld van alle publiek bekostigde instellingen in het HO en het MBO, dat wordt uitgevoerd door de Inspectie van het Onderwijs. Het gebruik van financiële producten als derivaten wordt daarbij ook in kaart gebracht. De resultaten van dit onderzoek worden naar verwachting half oktober geopenbaard.

  • Voor zorginstellingen wordt jaarlijks door het Waarborgfonds voor de Zorgsector (Wfz) geïnformeerd naar het gebruik van derivaten en voornemens daartoe door de aangesloten instellingen. Uit de rapportage Financiële Zorgthermometer 2e kwartaal 2012 blijkt dat er weinig zorginstellingen zijn die «regelmatig» of «zeer regelmatig» gebruik maken van derivaten3. Evenwel blijkt ook uit onderzoek van KPMG4 dat er wel een aanzienlijke toename in het gebruik van derivaten is te zien: van 37% in 2010 naar 50% in 2011.

  • Voor decentrale overheden geldt dat er geen algemeen inzicht is in de derivatenposities. Wel is bekend dat sommige gemeenten momenteel bijstortverplichtingen hebben door het gebruik van derivaten.

Voor de verschillende instellingen gelden verschillende wetten en regelingen:

  • Door de Minister van BZK zijn onlangs nieuwe beleidsregels opgesteld voor woningbouwcorporaties met betrekking tot het gebruik van derivaten. Woningbouwcorporaties mogen in nieuwe derivatencontracten alleen nog de zogeheten «payer swaps» en «rentecaps» gebruiken. Voor al hun derivaten – nieuw en bestaand – moeten zij voldoende buffers aanhouden om aan eventuele claims bij rentedalingen te voldoen. Ook mogen contracten geen clausules bevatten die het toezicht belemmeren. Corporaties mogen alleen als «niet-professionele belegger» in derivaten handelen met banken, hetgeen inhoudt dat banken jegens corporaties een zogenoemde bijzondere zorgplicht hebben.

  • Voor onderwijsinstellingen heeft het Ministerie van OCW eigen regels opgesteld, de Regeling Beleggen en Belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010. Deze regeling is afgeleid van de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), die voor decentrale overheden geldt. De twee regelingen komen vrijwel overeen. Ten aanzien van het gebruik van derivaten wordt in deze regelingen opgemerkt dat zij alleen mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s. Dit houdt in dat geen open posities mogen worden ingenomen. Derivaten mogen worden afgesloten met een instelling die voldoet aan de gestelde ratingcriteria.

  • Voor zorginstellingen gelden bij deelname aan het Wfz regels met betrekking tot het gebruik van derivaten. Het Wfz speelt bij investeringsbeslissingen van zorginstellingen een belangrijke rol door de borgstelling op leningen. Het Wfz hanteert bij haar garantieverstrekking strenge eisen en is kritisch ten aanzien van het gebruik van derivaten. Het Wfz heeft als uitgangspunt dat derivaten in beginsel nuttig kunnen zijn. Wel stelt het Wfz voorwaarden en beperkingen aan het gebruik. Zo moet er bijvoorbeeld vooraf schriftelijk toestemming voor de transacties worden gevraagd aan het Wfz. Hierbij moet welk de kanttekening worden geplaatst dat bij het Wfz niet alle instellingen in de zorgsector zijn aangesloten: ongeveer 75% van de ziekenhuizen en de helft van de AWBZ-instellingen zijn aangesloten bij het Wfz.

Momenteel zijn de ministeries van Financiën, OCW, VWS, SZW en BZK gezamenlijk aan het bekijken of het noodzakelijk is om de wet- en regelgeving en het daarbij behorende toezicht aan te scherpen.

Vraag 6

Weet u of er instellingen of groepen instellingen in de publieke en semi-publieke sfeer zijn die onverantwoorde risico’s genomen hebben en daardoor in de problemen gekomen zijn of kunnen komen?

Antwoord 6

Er zijn aanwijzingen dat er in het verleden instellingen zijn geweest die in de problemen zijn gekomen door derivatentransacties. Een bekend voorbeeld daarvan is woningcorporatie Vestia.

Zoals reeds aangegeven bij het antwoord op vraag 5 wordt momenteel binnen het Ministerie van OCW een onderzoek uitgevoerd dat in kaart moet brengen of er instellingen in het MBO en in het HO zijn die door het gebruik van derivaten grote financiële risico’s lopen. De resultaten daarvan worden half oktober naar buiten gebracht.

De kans dat woningcorporaties nog onverantwoorde risico’s lopen als gevolg van derivaten lijkt klein, nu de nieuwe strengere regeling per 1 oktober 2012 van kracht wordt. Hierdoor wordt de handelingsvrijheid van woningcorporaties aanzienlijk ingeperkt.

Voor de aangesloten zorginstellingen bij het Wfz is deze kans eveneens klein, aangezien het Waarborgfonds strenge eisen stelt. Met betrekking tot de overige zorginstellingen is niets bekend.

Vraag 7

Bent u bereid de totale derivatenpositie in deze sectoren, per sector en per instelling, aan de Kamer te doen toekomen?

Antwoord 7

Momenteel beschikken de ministeries niet over overzichten van derivatenposities per instelling. Het is daarom onmogelijk om hier overzichten van aan de Kamer te doen toekomen.


X Noot
1

www.dnb.nl

X Noot
2

Zie het rapport «Renterisico’s beheerst of financiële risico’s vergroot? – Derivaten bij woningcorporaties», Baarn, 31 mei 2012, Centraal Fonds Volkshuisvesting. Het rapport is te vinden op de site van het CFV, http://www.cfv.nl/media_dirs/8446/media_files_data/rapport_derivatenonderzoek_2012.pdf