Vragen van de leden Heijnen en Samsom (beiden PvdA) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de betaling van goodwill bij vergunningaanvragen (ingezonden 7 november 2011).

Antwoord van minister Donner (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen 16 december 2011).

Vraag 1

Kent u het bericht ««Goodwillpremie» schaliegas roept vragen op»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Klopt het dat er tegenover een bedrag van € 150 000 beloftes zijn gedaan over goedkeuring van de vergunning? Zo nee, is bekend waarom dat bedrag dan is betaald? Zo ja, bent u met ons van mening dat dit zeer onwenselijk is?

Antwoord 2

Nee. De gemeente Boxtel heeft aan een Engels bedrijf – genaamd Cuadrilla – een bouwvergunning en een tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan verleend voor een proefboring naar zogenoemd «schaliegas» op een bedrijventerrein in de gemeente. Nadat de vergunning was verleend, is door de gemeente met Cuadrilla een huurovereenkomst gesloten waarin ook financiële afspraken zijn vastgelegd. De financiële overeenkomst is niet gesteld als voorwaarde voor de vergunningverlening, maar maakt onderdeel uit van de huurovereenkomst. Het bedrijventerrein betreft gemeentelijke grond.

Bij deze afspraken gaat het naast de jaarlijkse huur van de locatie, om een bijdrage voor projecten in het kader van een duurzame ontwikkeling van Boxtel (€ 150 000,–), een bijdrage in de kosten van de aanleg van de groenzones (€ 54 000,–) en een bijdrage in de ondersteuning van studenten van de Technische Universiteit Eindhoven in het kader van het project «De Energieneutrale Stad in 2040» (€ 25 000,–). Deze afspraken zijn door de gemeente gemaakt vanuit de overweging dat het Cuadrilla een bedrijf is van buiten de regio en geen structurele werkgelegenheid zou hebben gecreëerd in de gemeente.

Overigens heeft de rechtbank inmiddels het besluit tot (tijdelijke) vergunningverlening vernietigd.2 Naar het oordeel van de rechtbank had de gemeente ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3.22 van de Wro. De rechtbank stelde dat bij een boorlocatie, ook al gaat het om een proefboring, die wordt gerealiseerd met het oog op de mogelijke vestiging van een definitieve voorziening, niet kan gesproken worden van de voorziening in een tijdelijke behoefte, als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van de Wro.

Vraag 3

Kent u meer van dit soort gevallen waar initiatiefnemers een investering, bijvoorbeeld in «duurzaamheid», koppelen aan goedkeuring door de betreffende overheid van de vergunning? Zo ja, om welke gevallen gaat het? Zo nee, bent u bereid om samen met de VNG en het IPO onderzoek te doen naar deze «voor wat, hoort wat»-praktijken?

Antwoord 3

Ik beschik niet over gegevens over afspraken die overheden maken bij vergunningverlening en ik zie ook geen aanleiding daar onderzoek naar te verrichten. Overigens is bij vraag antwoord 2 reeds aangegeven dat er in onderhavig geval geen sprake was van het verbinden van financiële voorwaarden aan de vergunning.

Vraag 4

Deelt u de mening dat in zo'n geval het gevaar ontstaat dat een gemeente behalve bevoegd gezag in zake de vergunningverlening ook belanghebbende wordt bij het project?

Antwoord 4

Men kan stellen dat de gemeente Boxtel door de verhuur van het bedrijventerrein mede belanghebbende is geworden bij de vergunningverlening. Maar in algemeenheid geldt dat een gemeente belang kan hebben bij een vergunningverlening. Gedacht kan worden aan vergunningen verleend in het kader van bouwprojecten of de vestiging van bedrijven in de gemeente. Het gemeentelijk belang kan dan gelegen zijn in economische ontwikkeling of werkgelegenheid in de gemeente.

Vraag 5

Bent u bereid, in samenspraak met de VNG, een gedragscode te maken voor gemeenten en provincies hoe om te gaan met dit soort «aanbiedingen», zodat elke schijn van beïnvloeding bij een vergunningaanvraag voorkomen wordt?

Antwoord 5

Het bestuursrecht geeft regels over de zorgvuldigheid in acht te nemen bij het nemen van overheidsbesluiten en de beginselen van behoorlijk bestuur die daarbij gelden. Ik acht het niet wenselijk daarover nog aanvullende richtlijnen en handreikingen op te stellen. Onderhavig geval geeft daar geen aanleiding toe.


X Noot
2

LJN: BU1387, Rechtbank ’s-Hertogenbosch , AWB 11/623 en AWB 11/672.

Naar boven