Vragen van de leden
Çelik
en
Hamer
(beiden PvdA) aan de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over 12 000 leerwerkbanen
die in de uitzendbranche op de tocht worden gezet (ingezonden 28 oktober 2011).
Antwoord van minister
Van Bijsterveldt-Vliegenthart
(Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 14 november 2011).
Vraag 1
Deelt u de mening van de branchevereniging van uitzendorganisaties (ABU) dat het plan om de regeling Wet Vermindering Afdracht
Onderwijs aan te passen en uitzendbureaus niet meer in aanmerking te laten komen voor belastingvoordeel,12 000 leerwerkbanen
op de tocht zal zetten in de uitzendbranche?1 Zo nee, waarom niet?
Antwoord 1
Nee.
De afdrachtvermindering onderwijs binnen de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is
bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die erkende leerbedrijven maken bij het verzorgen van de beroepspraktijkvorming (bpv)
als onderdeel van een mbo-opleiding. Een leerling-werknemer is verminderd inzetbaar in het leerbedrijf en wordt vakinhoudelijk
begeleid door een praktijkopleider van het leerbedrijf.
Uit de praktijk zijn signalen gekomen dat bij inschakeling van een intermediaire werkgever, de tegemoetkoming niet altijd
ter dekking van deze kosten wordt aangewend en de afdrachtvermindering dus niet terechtkomt bij het leerbedrijf terwijl dit
wel de bedoeling is. In sommige gevallen komt dit doordat het leerbedrijf er niet mee bekend is dat deze tegemoetkoming bestaat.
Ter bevordering van de bereidheid van erkende leerbedrijven om bpv-plaatsen aan te (blijven) bieden, is er derhalve voor gekozen
de wet op dit onderdeel te verduidelijken. De verduidelijking houdt in dat de afdrachtvermindering bij inschakeling van een
intermediaire werkgever deels of volledig moet toekomen aan het erkende leerbedrijf, afhankelijk van de onderling overeengekomen
taakverdeling (zie ook mijn antwoord op vraag 3). Dit om te borgen dat de tegemoetkoming daadwerkelijk wordt ingezet ter dekking
van de kosten van de bpv die door het erkende leerbedrijf worden gemaakt. De verwachting is dat het aanbod aan bpv-plaatsen
door deze maatregel juist positief wordt beïnvloed.
Vraag 2
Hoe rijmt u deze ingreep met de grote scholingsrol die de uitzendbranche vervult en het overheidsbeleid dat juist de uitzendsector
een grotere rol wil geven in de bemiddeling en kwalificatie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt?
Antwoord 2
Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 1, verzorgt het erkende leerbedrijf – en dus niet de uitzendwerkgever – de beroepspraktijkvorming
als onderdeel van de beroepsopleiding.
Wel leveren uitzendwerkgevers in voorkomende gevallen een belangrijke bijdrage aan het bemiddelen en begeleiden van kwetsbare
groepen op de arbeidsmarkt, waarbij steeds vaker scholing wordt ingezet. Ik ben blij met deze inspanning van uitzendwerkgevers,
maar dit dient wel los te worden gezien van het feitelijk opleiden van mbo-studenten als onderdeel van de beroepsopleiding.
Het opleiden van mbo-studenten in het kader van een mbo-opleiding geschiedt door de mbo-instelling, wat betreft de schoolse
component, en door het erkende leerbedrijf, wat betreft de praktijkcomponent.
Vraag 3
Laat het u onverschillig dat uitzendondernemingen vaak jongeren zonder startkwalificatie opleiden voor beroepen in sectoren
waar op termijn een groot tekort aan vakmensen ontstaat, zoals de techniek, zorg, logistiek en administratie? Zo neen, wat
gaat u dan ondernemen om het probleem dat hiermee voor de arbeidsmarkt wordt gecreëerd, verhelpen?
Antwoord 3
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, ben ik blij dat uitzendwerkgevers bereid zijn kwetsbare jongeren, vaak
met inzet van scholing, te bemiddelen en te begeleiden naar de arbeidsmarkt. Ingeval uitzendwerkgevers deze jongeren bovendien
bemiddelen naar sectoren waarin een tekort aan vakmensen is dan wel dreigt, strekt dit tot voordeel van de individuele jongere
en het sectorale bedrijfsleven dat met deze (dreigende) tekorten te maken heeft.
De staatsecretaris van Financiën heeft mede daarom in overleg met mij onlangs besloten de voorwaarden rondom de toepassing
van de afdrachtvermindering onderwijs bij inschakeling van een intermediaire werkgever (zoals de uitzendwerkgever) te versoepelen.
De belangrijkste reden hiervoor is dat een intermediaire werkgever weliswaar niet de bpv verzorgt, maar wel overige begeleiding
– zoals loopbaanbegeleiding – biedt aan de mbo-student. Ook blijkt een intermediaire werkgever het leerbedrijf substantieel
te ontlasten door (administratieve) handelingen te verrichten die normaliter een leerbedrijf (tevens zijnde werkgever) zelf
verricht. Bij de uitwerking van de maatregel in de ministeriële regeling zal het daarom aan partijen (leerbedrijf en de intermediaire
werkgever) worden overgelaten om te komen tot een verdeling van de afdrachtvermindering onderwijs. Dit zal intermediaire werkgevers
in staat stellen voornoemde taken op zich te blijven nemen. Partijen zullen contractueel wel tot uitdrukking moeten laten
komen dat ze bij deze verdeling acht hebben geslagen op de onderlinge taakverdeling in relatie tot het doel van de afdrachtvermindering.
Dit zal ervoor zorgen dat voortaan ook bij de inschakeling van een intermediaire werkgever sprake is van een transparante
aanwending van de afdrachtvermindering conform het doel waarvoor de afdrachtvermindering is bestemd.
X Noot
1 Persbericht ABU «Ruim 12 000 leerwerkbanen op de tocht in de uitzendbranche»
http://www.nu.nl/economie/2652012/ruim-12000-leerwerkbanen-tocht.html