Vragen van het lid
Jasper van Dijk
(SP) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over maatregelen waardoor minder studenten een masteropleiding
gaan volgen (ingezonden 12 oktober 2011).
Antwoord van staatssecretaris
Zijlstra
(Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 9 november 2011).
Vraag 1
Wat is uw reactie op het onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), waaruit blijkt dat circa twintig procent
van de studenten geen masterstudie gaat volgen als de basisbeurs voor de masterfase wordt afgeschaft?1
Antwoord 1
Ik waardeer de bijdrage van het ISO aan het debat over de introductie van het sociaal leenstelsel in de masterfase. Het onderwerp
is op 6 april 2011 aan de orde geweest in het Algemeen Overleg over studiefinanciering naar aanleiding van de beleidsnotitie
«Studeren is investeren». Het zal opnieuw aan de orde komen als het wetsvoorstel hierover in behandeling zal worden genomen.
Ik wil wel opmerken dat nergens wordt voorgesteld om de basisbeurs zomaar af te schaffen. Dat is niet aan de orde. Het gaat
er om dat in plaats van de basisbeurs een sociaal leenstelsel wordt geïntroduceerd, zodat de toegankelijkheid gewaarborgd
blijft.
Ik acht het dan ook niet waarschijnlijk dat de bovengenoemde uitkomst van het ISO-onderzoek bewaarheid zal worden. Iedereen
die kan en wil studeren, krijgt – binnen bepaalde grenzen – voldoende financiële ruimte om in een opleiding te investeren.
Vraag 2
Erkent u dat afschaffing van de basisbeurs voor de masterfase een negatief effect heeft op de toegankelijkheid?
Vraag 3
Wat gaat u ondernemen om te voorkomen dat twintig procent potentieel zeer getalenteerde studenten afziet van een masteropleiding?
Vraag 4
Beseft u dat de afschaffing van de basisbeurs voor de masterfase extra pijnlijk is voor studenten die een tweejarige masteropleiding
willen volgen? Wat gaat u hiertegen ondernemen?
Antwoord 4
Ik realiseer mij heel goed dat hoe langer een opleiding duurt, hoe meer de desbetreffende student zal moeten investeren. Maar
ook voor meerjarige masteropleidingen geldt dat het om een goede investering in een goede opleiding gaat. Een keuze voor een
dergelijke opleiding is, zoals ook in de beleidsnotitie Studeren is investeren naar voren is gekomen, vooral een inhoudelijke
keuze. Het sociaal leenstelsel voor de masterfase geeft daar de nodige financiële ruimte voor.
Vraag 5
Hoe rijmt u de resultaten van het onderzoek met de ambitie van de regering om tot de top 5 van kennislanden te behoren?
Antwoord 5
In «Kwaliteit in Verscheidenheid», de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap is aangegeven
dat de besparingen die de invoering van het sociaal leenstelsel oplevert, geherinvesteerd worden in een kwaliteitsimpuls in
het hoger onderwijs. De lat moet over de hele linie van het onderwijs omhoog, zowel door meer intensief en activerend onderwijs
als meer differentiatie en profiel in het onderwijs. Nominaal studeren moet weer de regel worden in plaats van de uitzondering.
Met het realiseren van de in de strategische agenda weergegeven streefdoelen zal de positie van Nederland in de internationale
ranglijsten verbeteren.
Vraag 6
Hoe voorkomt u dat studenten steeds hogere schulden krijgen vanwege de hogere collegegelden en de lagere studiefinanciering?
Antwoord 6
Als aan studenten wordt gevraagd om zelf een groter deel van de investering in hun studie te financieren en hen tegelijkertijd
meer mogelijkheden geboden worden om dat met een studielening te doen, dan ligt het in de lijn der verwachtingen dat meer
studenten de leenmogelijkheden ook zullen gebruiken. Studenten zullen zeer bewust met deze mogelijkheden moeten omgaan. Ze
kunnen zelf veel doen om de hoogte van hun schuld te beperken. Zo voorkomt sneller studeren (zie antwoord op vraag 5) dat
studenten lang in de leenfase zitten. De voorlichting en ondersteuning vanuit DUO en andere organisaties als het Nibud (zie
www.studentenleenwijzer.nl en www.wijzeringeldzaken.nl) zijn erop gericht om studenten bewust met de leenmogelijkheden te laten omgaan. Ik ben bereid, ook
in het kader van de uitvoering van de motie van de leden Slob en Sap over studieschulden (TK 2011–2012, 33 000, nr.24), om het hele palet in beeld te brengen om te bezien of en waar dit versterking behoeft.
Vraag 7
Hoe verhoudt het beleid waarbij studenten steeds meer moeten lenen zich tot het algemene inzicht dat burgers (vanwege de schuldencrisis)
juist minder makkelijk leningen zouden moeten afsluiten? Erkent u dat de overheid op dit punt tegenstrijdig beleid voert?
Antwoord 7
Ik zie een duidelijk onderscheid tussen lenen voor consumptieve doeleinden en lenen voor de studie. Lenen voor de studie is
nog steeds een goede investering mits studenten hiermee bewust omgaan. Dit betekent dat studenten hun schulden niet nodeloos
moeten laten oplopen vanwege een te luxe leefstijl. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Vraag 8
Bent u bereid een reactie te geven op de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek van ISO?
Antwoord 8
Met mijn antwoorden op uw vragen heb ik getracht een eerste reactie op het ISO-onderzoek te geven. Voor het overige stel ik
voor om het ISO-onderzoek te betrekken bij de behandeling van het bovengenoemde wetsvoorstel.
X Noot
1 www.iso.nl, Wie betaalt de rekening?