Vragen van het lid Çelik (PvdA) aan de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap over de zinloosheid van zittenblijven (ingezonden 23 september 2011).

Antwoord van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 26 oktober 2011).

Vraag 1

Deelt u de conclusie van het artikel «Zittenblijven helpt niet» dat een jaartje doubleren meestal niet zinvol is, zeker niet op de lange termijn?1 Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 1

Uit een recent rapport van de Europese Commissie over zittenblijven2 blijkt dat opvattingen en praktijken rond zittenblijven in Europese landen sterk verschillen. Het artikel zelf laat ook zien dat er verschillende opvattingen zijn. De Nederlandse Inspectie van het Onderwijs schrijft in haar Onderwijsverslag 2008/2009 dat een verlenging van de kleuterperiode meestal tijdelijke positieve effecten heeft, maar ook dat er geen recent Nederlands onderzoek beschikbaar is over de effecten van zittenblijven in de hogere leerjaren van de basisschool. Voor individuele leerlingen kan doubleren doelmatig zijn, als leerlingen een doel bereiken dat ze anders niet bereikt zouden hebben (bijvoorbeeld het eindexamen). Bij het traditionele zittenblijven is dat niet vanzelfsprekend het geval.

Een eenduidige conclusie is dus lastig. Ik zet in op het versterken van het opbrengstgericht werken door scholen, zodat zittenblijven minder vaak nodig zal zijn.

Vraag 2

Hoe beoordeelt u de kwalificatie in het artikel: «Zittenblijven is een onbeholpen manier van omgaan met leerlingen die niet meekomen»?

Antwoord 2

Die kwalificatie laat ik voor rekening van de aangehaalde onderwijs-onderzoeker. Scholen zijn professionele organisaties. Zij evalueren de ontwikkeling van hun leerlingen en maken ieder jaar een afweging: overgaan, doubleren, opstromen of afstromen. Het is aan de professionals op de school om die afweging te maken.

Vraag 3

Hoe verklaart u dat het percentage zittenblijvers op gemiddeld sterke en gemiddeld zwakke scholen niet verschilt?

Antwoord 3

Allereerst wil ik hier opmerken dat het in het artikel genoemde percentage zittenblijvers in het basisonderwijs (22%) aan de hoge kant is; de inspectie komt in het eerder genoemde Onderwijsverslag tot ongeveer 18%.

Het artikel stelt dat op gemiddeld sterke en gemiddeld zwakke scholen het percentage zittenblijvers vergelijkbaar is, maar volgens het Onderwijsverslag 2009/2010 zijn er juist wel verschillen in zittenblijven tussen scholen. Bovendien blijkt dat meer zittenblijven in ieder geval niet leidt tot hogere eindopbrengsten (eindtoets, centraal examen).

Vraag 4

Wat ziet u als een adequate manier van omgaan met leerlingen die niet meekomen en wat mogen alternatieven voor zittenblijven wat u betreft kosten?

Antwoord 4

Ik vind het primair van belang dat scholen opbrengstgericht werken: aan de hand van opbrengstgegevens het onderwijs geschikt maken voor alle leerlingen («onderwijs op maat»), zodat zittenblijven minder vaak nodig is. De actieplannen «Basis voor presteren», «Beter presteren» en «Leerkracht 2020» richten zich daarop en geven aan welke middelen beschikbaar zijn. Daarnaast mag van scholen worden verwacht dat zij transparant zijn over zittenblijven; de inspectie spreekt scholen zo nodig aan op hun beleid.

Vraag 5

Kunt u kwantificeren hoeveel onderwijsgeld er per saldo wordt verspild doordat leerlingen die niet meekomen op de scholen voor basis- en voortgezet onderwijs blijven zitten?

Antwoord 5

Ik distantieer mij van de suggestie in de vraag dat zittenblijven hetzelfde is als verspilling. De meningen over zittenblijven en «verspilling» verschillen; dat maakt een schatting van de kosten ook niet mogelijk.


X Noot
1

Het Onderwijsblad, 14 van 17 september 2011, blz. 30–31.

X Noot
2

European Commission, Grade Retention during Compulsory Education in Europe: Regulations and Statistics, Brussels, EACEA, Eurydice, 2011.

Naar boven