Vragen van het lid Beertema (PVV) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap over het bericht dat ons hoger onderwijs wordt overspoeld door Zuid-Europese
crisisstudenten (ingezonden 2 augustus 2012).
Antwoord van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
28 augustus 2012).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Crisisstudent komt naar Nederland?»1
Vraag 2
Klopt het dat er komend studiejaar naar schatting 16 000 studenten uit de Europese
crisislanden uit Zuid-Europa naar EU-landen in Noord-Europa zullen trekken? Hoeveel
van die 16 000 studenten zullen zich naar schatting bij Nederlandse universiteiten
en hogescholen melden?
Antwoord 2
Zoals ik in mijn brief van 16 mei 2012 heb aangegeven, kunnen internationale studenten
een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs
en een positief effect hebben op de overheidsfinanciën. Om deze baten te realiseren
is het onder andere van belang dat de groep internationale studenten voldoende divers
is, dat de studenten voldoen aan de instroomeisen van universiteiten en hogescholen
en dat een voldoende groot deel van deze studenten na hun studie in Nederland blijft
wonen om te werken. De studenten die na afronding van hun studie in Nederland blijven
om te werken dragen meer bij aan de Nederlandse belastinginkomsten dan de Nederlandse
overheid heeft bijgedragen aan hun studiekosten.
De genoemde schatting van 16 000 studenten is gebaseerd op de bezoekersstatistieken
van de website www.studyportals.eu. Of en in hoeverre deze statistieken een realistisch beeld schetsen van de daadwerkelijke
inschrijvingen, is voor mij op basis van de beschikbare gegevens niet te beoordelen.
Cijfers van de Nuffic laten weliswaar een groei zien van het aantal studenten uit
Portugal, Spanje, Italië en Griekenland, maar het blijft een relatief kleine groep
studenten. Het totaal aantal studenten uit Portugal, Spanje, Italië en Griekenland
bedroeg 2 030 in collegejaar 2005/2006 en 3 765 in collegejaar 2011/2012.
Vraag 3
Klopt de berekening dat de Nederlandse belastingbetaler voor elke Zuid-Europese crisisstudent
ongeveer € 8 000 moet bijleggen (€ 3 000 aan het verschil tussen instellingsgeld en
collegegeld plus € 5 000 aan studiebeurs)? Zo nee, hoe groot is dat bedrag dan wel?
Antwoord 3
Zuid-Europese studenten kunnen net als Nederlandse studenten tegen betaling van het
wettelijk collegegeld in Nederland studeren, mits zij in Nederland of in de grenslanden
wonen. Dit betekent dat de Nederlandse overheid bekostiging voor hen betaalt. Gemiddeld
is dit een bedrag van ongeveer 6 000 euro per student per jaar.
Buitenlandse studenten uit de Europese Unie komen alleen in aanmerking voor Nederlandse
studiefinanciering, indien zij binnen de definitie van migrerend werknemer vallen.
Om aan de definitie van migrerend werknemer te voldoen moet een EU-student een minimaal
aantal uur per week werken. Deze norm ligt op dit moment op minimaal 32 uur per maand
en wordt per 1 januari 2013 verhoogd naar minimaal 56 uur per maand.
Zoals ik in mijn brief van 16 mei 2012 heb aangegeven wegen deze kosten ruimschoots
op tegen de baten voor de overheidsfinanciën, er van uitgaande dat een deel van de
afgestudeerden in Nederland blijft werken, voor de overheidsfinanciën. Het CPB heeft
berekend dat, bij een blijfkans van 19% en een aantal verdere aannames, de jaarlijkse
baten voor de overheid zouden kunnen oplopen tot 740 mln euro. Bovendien heeft internationale
mobiliteit een positief effect op de kwaliteit van het hoger onderwijs en op de Nederlandse
kenniseconomie.
Vraag 4
Heeft u al geld gereserveerd of gaat u geld reserveren voor de opvang van Zuid-Europese
crisisstudenten? Zo ja, hoeveel geld en op welke posten heeft u bezuinigd om dat te
realiseren? Zo nee, hoe gaat de Nederlandse samenleving deze opvang bekostigen?
Antwoord 4
Het budget voor de hogeronderwijsinstellingen wordt onder meer bepaald door het aantal
studenten. Meer studenten betekent een verhoging van het budget volgens de systematiek
t-2. Het demissionaire kabinet heeft in 2010 in het regeerakkoord middelen voor de
stijging van de aantallen leerlingen en studenten beschikbaar gesteld. Omdat het om
een beperkte groep studenten gaat zijn de financiële effecten eveneens beperkt (zie
mijn antwoord op vraag 2).
Vraag 5
Deelt u de mening dat van de Nederlandse belastingbetaler niet gevraagd kan worden
om de studie van Zuid-Europese crisisstudenten te bekostigen? Wat gaat u doen om aan
deze situatie een einde te maken nog voor de start van het nieuwe studiejaar?
Antwoord 5
Aan studenten uit de EER die in Nederland danwel in de grenslanden wonen en in Nederland
studeren kan geen hoger collegegeld worden gevraagd dan aan Nederlandse studenten.
Omgekeerd geldt dit ook voor de ruim 14 000 Nederlandse studenten die in het buitenland
in een EER-land studeren. Ik vind dit een wenselijke situatie, omdat dit internationale
mobiliteit van studenten bevordert. Internationale mobiliteit van studenten heeft
belangrijke baten voor het Nederlandse onderwijs en heeft, wanneer een voldoende groot
deel van deze studenten na hun studie in Nederland blijft werken, een positief effect
op de overheidsfinanciën.
Mijn beleid is gericht op het stimuleren van mobiliteit. Daarbij streef ik, zoals
ik in het Algemeen Overleg van 30 mei 2012 heb aangegeven, naar meer balans tussen
inkomende en uitgaande mobiliteit.
X Noot
1De Telegraaf, 2 augustus 2012