Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
over regionale verschillen in moedersterfte in Nederland (ingezonden 13 juli 2012).
Antwoord van minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 21 augustus
2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 3138
Vraag 1
Bent u op de hoogte van het feit dat er regionale verschillen bestaan in maternale
sterfte (moedersterfte)?1
Vraag 2
Wat is uw mening over het feit dat de maternale sterfte in Zeeland, Rotterdam en den
Haag significant veel hoger is dan in de rest van Nederland?
Antwoord 2
Over de periode 1993–2008 was de gemiddelde Nederlandse moedersterfte volgens genoemd
onderzoek 10,8 per 100 000 geboortes (De Graaf et al, 2012) of wel gemiddeld 21 gevallen
per jaar over heel Nederland. De getallen varieerden binnen Nederland van 6.2 per
100 000 in Noord Brabant tot 16.3 per 100 000 in Zeeland. Deze variatie kan mogelijk
verklaard worden doordat de prevalentie van hypertensie het hoogst is in Zeeland.
Ook hebben de inwoners van deze provincie gemiddeld een lagere sociaaleconomische
status en een minder gezonde leefstijl. De maternale sterfte in de vier grote steden
varieerde in dat onderzoek tussen 9.3 in Amsterdam en 21.0 in Rotterdam. Deze bevindingen
komen overeen met de al bekende algemene gezondheidsverschillen tussen de grootste
steden en de rest van Nederland, en zijn ook conform de internationale en nationale
patronen van perinatale sterfte.
Vraag 3 en 4
Wat is uw mening over het feit dat pre-eclampsie en hypertensie gerelateerde moedersterfte
bij vrouwen in Vogelaarwijken en bij niet westerse vrouwen significant vaker voorkomen?
Onderschrijft u de conclusie van de onderzoekers dat de aanwezigheid van een opeenstapeling
van heterogene risicofactoren hiervan de oorzaak is?
Deelt u de mening dat de lagere sociaal economische status van deze vrouwen en het
feit dat er een taalachterstand is in belangrijke mate bijdragen aan het vaker voorkomen
van maternale en perinatale sterfte? Zo ja, welke gerichte maatregelen zijn mogelijk
om deze verschillen te verkleinen en welke van deze maatregelen gaat u nemen?
Antwoord 3 en 4
Uit het genoemde onderzoek naar moedersterfte in Nederland kwam naar voren dat vrouwen
van niet-westers allochtone herkomst een verhoogd risico lopen, evenals oudere moeders
en moeders in achterstandswijken. Daarbij is pre-eclampsie (in de volksmond: zwangerschapsvergiftiging) de belangrijkste factor achter het optreden van moedersterfte. Eerder internationaal
vergelijkend onderzoek (periode 1983–1992) suggereerde dat in Nederland pre-eclampsie
relatief veel voorkwam als oorzaak van moedersterfte (Rossi & Mullin, 2012).
Er is al enige tijd een Auditcommissie Maternale Sterfte. De Nederlandse Vereniging
voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) installeerde in 1981 de Commissie Maternale
Sterfte met de opdracht gevallen van moedersterfte te analyseren naar analogie van
de Confidential Enquiries into Maternal Death in het Verenigd Koninkrijk. Dit heeft
geresulteerd in een periodieke rapportage van de maternale sterfte in Nederland door
deze commissie van de NVOG. Deze commissie heeft de taak om van ieder geval van maternale
sterfte in Nederland de geleverde zorg te beoordelen, en in een belangrijk deel van
de casus was suboptimale zorg aanwijsbaar. In 2010 is de naam van de Commissie Maternale
Sterfte gewijzigd in «Auditcommissie Maternale Sterfte» (AMS).2
In het advies van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte wordt ruim aandacht besteed
aan de in deze audits gevonden oorzaken van maternale (en perinatale) sterfte, waarbij
sociaal economische gezondheidsverschillen als aandachtspunt worden genoemd. De maatregelen
die in dit Stuurgroep advies worden voorgesteld, en waarvan ik ook een groot deel
heb overgenomen (zie mijn voortgangsbrief zwangerschap en geboorte van 3 juli 2012,
CZ 3119749), zullen een bijdrage leveren aan het terugdringen van de maternale (en
perinatale) sterfte. Bijvoorbeeld in het programma Healthy pregnany 4 all wordt gewerkt
aan een lokale aanpak, die past bij het specifieke karakter van wijken, waaronder
achterstandswijken.
Vraag 5, 6, 7, 8 en 9
Welke gerichte maatregelen zijn mogelijk om de hoge maternale sterfte in Zeeland terug
te dringen? Welke van deze maatregelen gaat u nemen?
Welke gerichte maatregelen zijn mogelijk om de hoge maternale sterfte bij vrouwen
van niet-westerse afkomst en vrouwen ouder dan 35 jaar terug te dringen? Welke van
deze maatregelen gaat u nemen?
Bent u bereid een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van voorlichting en ondersteuningsprogramma»
s voor vrouwen met een taalbarrière, bij voorkeur in hun eigen taal? Zo ja, welke
en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt in Nederland aandacht geschonken aan maternale sterfte en met
name het terugdringen van regionale verschillen in maternale sterfte?
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de begroting voor 2013 een plan van
aanpak te zenden met mogelijke strategiën ter verlaging van de Nederlandse moedersterfte
en het verminderen van de grote regionale verschillen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5, 6, 7, 8 en 9
Voor het antwoord op vraag 5 tot en met 9 zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
X Noot
1 Regionale verschillen moedersterfte in Nederland | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,
2012;156:A4952.
X Noot
2 Naast het eerdere genoemde beschrijvende onderzoek vindt er in Nederland ook klinisch
onderzoek plaats in de LEMMON studie via de zogenaamde SAMM audit (SAMM = Severe Acute
Maternal Morbidity) (zie o.a. A. Van Dillen et al, 2011).