Vragen van de leden Van den Besselaar en Wilders (beiden PVV) aan de minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de tweede kwartaalcijfers van de vier grootste
pensioenfondsen, die laten zien dat als gevolg van de extreem lage rente de dekkingsgraden
verder zijn gedaald (ingezonden 19 juli 2012).
Antwoord van minister Kamp (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 21 augustus
2012).
Vraag 1
Heeft de minister kennisgenomen van de berichten van hedenmorgen over de tweede kwartaalcijfers
van de vier grootste pensioenfondsen, die laten zien dat als gevolg van de extreem
lage rente de dekkingsgraden verder zijn gedaald?1
Vraag 2
Is de minister het met de leden van de PVV-fractie eens dat deze daling vooral een
gevolg is van de door de leden van de PVV-fractie eerder gesignaleerde rekenmethodiek
van de rente waarop de verplichtingen van de fondsen moeten worden gewaardeerd?
Antwoord 2
De ontwikkeling van de dekkingsgraden van pensioenfondsen worden bepaald door ontwikkelingen
op de financiële markten en ontwikkelingen in de levensverwachting. Bij de financiële
markten gaat het zowel om de risicovrije rente waarmee de verplichtingen gewaardeerd
moeten worden, als om de beurskoersen die waarde van de bezittingen bepalen. Naast
de gedaalde rente is relevant dat bijvoorbeeld de AEX met een huidige stand van circa
330 nog altijd veel lager is dan de stand van 657 ultimo 2007. Sinds ultimo 2007 is
ook de levensverwachting sterker toegenomen dan verwacht waardoor de dekkingsgraden
van de verplichtingen lager zijn uitgekomen. Daarnaast wordt de ontwikkeling van de
dekkingsgraden ook beïnvloed door het exploitatiesaldo dat vooral afhangt van de mate
waarin de premie-inkomsten afwijken van de uitgekeerde pensioenen.
Vraag 3
Kan de minister, nu al drie jaar gestudeerd wordt door sociale partners en regering
op het meer toekomstbestendig maken van het pensioenstelsel, nu eens daadkracht tonen
en aangeven welke concrete maatregelen de minister op korte termijn zal nemen om aan
de onrealistische situatie van een extreem lage rente als gevolg van de Europese financiële
crisis een einde te maken?
Antwoord 3
Bij de bespreking van de Hoofdlijnennota herziening financieel toetsingskader pensioenen
(Kamerstukken II, 2011/12, 32 043, nr. 113) heb ik aangegeven dat ik in de komende maand september een evenwichtig pakket maatregelen
aan de Kamer zal voorleggen waarbij op een verstandige manier wordt vooruitgelopen
op de nieuwe Pensioenwet die het pensioenstelsel meer toekomstbestendig moet maken.
Vraag 4
Overweegt de minister terug te keren naar de situatie van voor 2007 toen gewerkt werd
met een vaste rekenrente van 4%, zoals de leden van de PVV-fractie in elk geval voor
de duur van de crisis wensen? Zo nee, waarom niet? Wat was er verkeerd aan de systematiek,
die vele decennia lang voor rust in pensioenland heeft gezorgd?
Antwoord 4
Nee. De vaste rekenrente van 4% die tot 2007 heeft gegolden, moet worden gezien in
het perspectief van de rente op 10-jarige Nederlandse staatsleningen die – zo blijkt
uit figuur 1 – in 1970–2006 is uitgekomen op een gemiddelde van jaarlijks 7,1%. Het
hanteren van een vaste rekenrente heeft in deze periode voorkomen dat pensioenfondsen
zich rijk konden rekenden met een veel hogere rekenrente. In die zin heeft de vaste
rekenrente decennia lang heel goed gefunctioneerd.
Figuur 1 laat echter ook zien dat de rente gestaag is gedaald en in 2005 en 2006 zelfs
al lager is uitgekomen dan 4%.
Figuur 1 Rente op 10-jarige Nederlandse staatsleningen
Door het geleidelijk verdwijnen van de prudentiemarge tussen de vaste rekenrente van
4% en de feitelijke rente is het gebruik van de vaste rekenrente bij het zeker stellen
van nominale pensioenaanspraken steeds meer ter discussie gekomen. Bij een feitelijke
rente lager dan 4% kan er immers niet meer op worden vertrouwd dat met het belegd
vermogen steeds een rendement kan worden gehaald van ten minste 4%.
Juist om nominale pensioenaanspraken zeker te stellen is de systematiek van een vaste
rekenrente verlaten. In plaats daarvan verplicht de Pensioenwet die per 1 januari
2007 van kracht is geworden, tot het hanteren van een risicovrije rente die op basis
van marktwaardering wordt bepaald.
Vraag 5
Overweegt de minister, gezien de uitzonderlijke crisissituatie, om de termijn van
herstel waarbij veel pensioenfondsen voor ultimo 2013 met hun dekkingsgraad op 105%
moeten uitkomen, eenmalig uit te smeren over een langere periode, zodat deze fondsen
meer ruimte voor herstel in de komende jaren wordt geboden? Zo nee, waarom niet? Met
welke tijdelijke crisismaatregelen denkt de minister de pensioenfondsen op korte termijn
tegemoet te komen?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag 6
Wat gaat de minister concreet doen om de onrust weg te nemen, die wordt veroorzaakt
door de kortingen op de pensioenen in 2013 en volgende jaren en door de voorgenomen
verhoging van de premies, die de koopkracht van gepensioneerden en deelnemers ernstig
zal aantasten?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 3.