Vragen van de leden Voordewind (ChristenUnie) en Dijksma (PvdA) aan de minister voor
Immigratie, Integratie en Asiel over het bericht «Nieuwe onderzoeksmethode biedt asielkinderen
houvast in procedure» (ingezonden 14 mei 2012).
Antwoord van minister Leers (Immigratie, Integratie en Asiel) (Antwoord 11 juni 2012).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe onderzoeksmethode biedt asielkinderen houvast
in procedure» en het onderzoek «In the best interest of the child»? van orthopedagoge
Zijlstra?1
Vraag 2
Op welke wijze wordt op dit moment voldaan aan de verplichting die direct voortvloeit
uit artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het internationaal
Verdrag inzake de rechten van het kind, om bij een besluit in een asielprocedure het
belang van het kind te wegen?
Antwoord 2
In de asielprocedure gaat het primair om de vraag of het gezin, inclusief de kinderen,
voor bescherming in aanmerking komt of moet terugkeren. De beoordeling van de aanvraag
van het kind vindt daarom in beginsel plaats in de context van het gezin. Dit volgt
ook uit het feit dat het meestal de ouders zijn die asielmotieven hebben en omdat
het belang van het kind verweven is met het belang van zijn ouders. Dit neemt niet
weg dat, vanwege de kwetsbaarheid van kinderen, in het vreemdelingenbeleid en de regelgeving
rekening wordt gehouden met de belangen en rechten van kinderen.
Het belang van het kind heeft in de asielprocedure een duidelijke plaats en komt op
veel plaatsen in het vreemdelingenbeleid tot uitdrukking. Ik noem – in relatie ook
tot artikel 24 van het Handvest – bijvoorbeeld het recht om te worden gehoord en het
recht om bij de ouders te leven. Gedurende het toelatingsproces én het terugkeerproces
wordt het belang van het kind door de uitvoerende organisaties zorgvuldig in het oog
gehouden. Zo geldt bijvoorbeeld – als uitzondering op het koppelingsbeginsel – ook
voor kinderen die niet rechtmatig in Nederland verblijven, een recht op onderwijs
en wordt hen onderdak geboden. Verder wordt (alleenstaande) minderjarigen meer (rust
en) voorbereiding gegeven voorafgaand aan de indiening van een asielverzoek en is in
het beleid als uitgangspunt opgenomen dat minderjarigen in beginsel niet in vreemdelingenbewaring
worden gesteld behoudens enkele bijzondere (limitatief neergelegde) situaties. Ook
in het toelatingsbeleid wordt bijzonder rekening gehouden met kindspecifieke situaties
en het belang van het kind. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het beleid rond
kindsoldaten.
Dat met deze belangen rekening wordt gehouden, wil niet zeggen dat dit per definitie
moet leiden tot een verblijfstitel. Het belang van het kind is immers niet het enige
belang dat moet worden gediend. Er wordt een afweging gemaakt tussen het belang van
het kind en overige belangen, zoals de integriteit van het vreemdelingenbeleid, rechtsgelijkheid
en redelijkheid en billijkheid en het behouden van maatschappelijk draagvlak voor
asielbescherming.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het belang van het kind het best gediend is met een methodisch
onderbouwde en transparante beoordeling van het «belang van het kind» in individuele
asielzaken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Ik onderken dat een methodische en transparante beoordeling een nuttig hulpmiddel
kan zijn om meer beeld te krijgen bij verschillende situaties van kinderen. Dat laat
echter onverlet dat het begrip «belang van het kind» een open norm is zonder eenduidige
betekenis. Het begrip is dynamisch van aard en dient nader te worden ingevuld binnen
de beoordelingskaders van de asielaanvraag.
Vraag 4 en 5
Acht u de door mevrouw Zijlstra ontwikkelde en wetenschappelijk gevalideerde vragenlijst,
BIC-Q genoemd, bruikbaar als standaard instrument om in asielprocedures het belang
van het kind methodisch en transparant te toetsen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de door mevrouw Zijlstra ontwikkelde methode over te nemen voor het
gebruik in asielzaken, zoals de Raad voor de Kinderbescherming dit heeft gedaan voor
het gebruik in civiele en strafrechtelijke zaken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4 en 5
De BIC-Q vragenlijst maakt inzichtelijk hoe met name het recht op ontwikkeling van
kinderen nader te concretiseren is. Daarbij is -vanuit een gedragswetenschappelijke
invalshoek- vooral bezien welke opvoedings- en ontwikkelingsvoorwaarden randvoorwaardelijk
voor kinderen kunnen worden beschouwd, om gezond en overeenkomstig hun mogelijkheden
op te kunnen groeien.
Echter, als ik de elementen die gewogen worden met de BIC-Q binnen een asielprocedure
een plaats zou geven, dan zou ik een nieuwe toelatingsgrond creëren, bijvoorbeeld
het recht op een goede opvoedingsomgeving, welke het kind de beste ontwikkelingskansen
biedt. Hoewel ik mij realiseer dat Nederland kinderen in algemene zin betere kansen
kan bieden dan landen van herkomst, acht ik het niet houdbaar om dit als grond voor
verblijfsaanvaarding op te nemen, nu het a) niet een beschermingsvraag betreft zoals
bedoeld in de asielprocedure b) een sterke aanzuigende werking zou hebben.
Om die reden zie ik geen plaats voor de methode als standaard onderdeel van de asielprocedure.
Overigens opereert de Raad voor de Kinderbescherming binnen een wezenlijk andere context.
In het asielbeleid gaat het primair om de vraag of het gezin, inclusief de kinderen,
voor bescherming in aanmerking komt of niet.