Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-20122476

Vragen van het lid Çelik (PvdA) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de cijfers met betrekking tot het aantal thuiszittende kinderen dat geen onderwijs krijgt (ingezonden 29 maart 2012).

Antwoord van minister Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 14 mei 2012). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2289.

Vraag 1

In welke mate zijn de aantallen in uw brief1 correct, wanneer er wordt uitgegaan van een bredere definitie van thuiszitters (absoluut verzuim, thuiszitters en vrijstelling) en waarbij de aantallen dan kunnen oplopen tot ca. 14 000 kinderen die thuis zaten in het schooljaar 2010/2011?2

Antwoord 1

De aantallen in de gestuurde brief zijn correct en zijn in onderstaande tabel samengevat en aangevuld met informatie over het aantal vrijstellingen. De gegevens zijn afkomstig uit de leerplichtrapportages van de gemeenten, waar leerplichtambtenaren registreren en rapporteren conform de door DUO gehanteerde definities.

 

Gegevens in de TK brief

2010–2011

2009–2010

1

Absoluut verzuim

8 098

6 878

 

Teruggeleid naar school

4 297

3 599

2

Aantal thuiszitters

   
 

A) start schooljaar

2 296

2 269

 

B) toename gedurende het schooljaar

3 140

2 913

 

C) Teruggeleid naar school

3 281

2 414

3

Aantal vrijstellingen

3 107

2 964

 

Totaal volgens uw definitie

16 641

15 024

Zowel het aantal thuiszitters als het aantal leerlingen dat absoluut verzuimt is in deze tabel opgenomen. Wanneer beide gegevens worden opgeteld leidt dat tot een groep van 13 534 leerlingen die in het schooljaar 2010–2011 onterecht niet was ingeschreven op een school, of wel was ingeschreven maar langer dan 4 weken thuiszat zonder geldige reden. In het schooljaar 2009–2010 ging het om 12 060 leerlingen. Als het aantal vrijstellingen hier nog bij wordt opgeteld, zoals door u wordt voorgesteld, resulteert voor 2009–2010 een aantal van 15 024 en voor 2010–2011 16 641 leerlingen. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met het aantal leerlingen dat in de loop van het schooljaar is teruggeleid naar onderwijs.

Hierbij merk ik het volgende op. Met het begrip «thuiszitters» bedoelen we leerlingen die wel op een school staan ingeschreven, maar langer dan 4 weken thuis zitten. Voor deze leerlingen is de school verantwoordelijk. Met «absoluut verzuim» bedoelen we leerplichtige kinderen/jongeren die niet staan ingeschreven bij een (al dan niet bekostigde) onderwijsinstelling. Deze kinderen/jongeren gaan niet naar school. De ouders zijn hier verantwoordelijk voor en de leerplicht dient hier actie op te ondernemen. Wegens de gescheiden verantwoordelijkheden worden de categorieën thuiszitter en absoluut verzuim in de rapportages altijd onderscheiden. Juist omdat het gaat om de groep leerlingen die onterecht niet zijn ingeschreven of langer dan 4 weken thuiszit, dient het aantal vrijstellingen hierbij buiten beschouwing te blijven. Vrijstellingen zijn juist verleend op basis van de wet en de specifieke situatie waarin de desbetreffende leerling verkeert. Bijvoorbeeld een kind met een ernstige geestelijke handicap verblijft op een kinderdagcentrum en heeft op grond van het niet leerbaar zijn een vrijstelling op basis van artikel 5a van de leerplichtwet.

Vraag 2

Kunt u aangeven of het geschetste beeld, in de toelichting in uw brief, bij de cijfers over 2009/2010 en 2010/2011 niet te rooskleurig is en er zelfs vanuit een brede definitie van thuiszitters sprake is van een lichte toename?

Antwoord 2

Ik schets niet een te rooskleurig beeld. In de brief noem ik expliciet de toename van het absoluut verzuim en ten aanzien van de groep thuiszitters heb ik aangegeven dat het aantal ongeveer gelijk is. Wanneer de groep als totaal wordt genomen is dus sprake van een toename. Echter, tegelijk heb ik geconstateerd dat het aantal zaken dat binnen het schooljaar wordt opgelost, toeneemt én dat het aantal kinderen dat meer dan 6 maanden thuiszit afneemt. Die zaken stemmen mij positief ten aanzien van de regionale aanpak. Dat laat onverlet dat er nog veel te doen is. Daarom heb ik in dezelfde brief waarin ik deze aantallen heb genoemd, u geïnformeerd over de voortgang van de maatregelen om het schoolverzuim terug te dringen.

Overigens merk ik hierbij op dat de huidige statistieken nog onvoldoende adequaat zijn om een exact beeld te geven van het absoluut verzuim en het thuiszitten (volgens de bestaande definitie). Voor een zuiver beeld is het noodzakelijk om rekening te houden met de tijdsduur dat leerlingen onterecht niet op school zitten. Het maakt immers uit of het gaat om een periode van thuiszitten van 1 dag of 1 jaar. Het verzuim zou idealiter moeten worden omgerekend naar verzuimjaren. Pas dan is het mogelijk om daadwerkelijk vast te stellen hoe het verzuim zich heeft ontwikkeld.

Het is essentieel voor de bestrijding van schoolverzuim en het voorkomen van uitval om een goed beeld van de verzuimcijfers te hebben. Dit en de invoering van passend onderwijs is reden voor mij om met Ingrado en DUO te kijken naar verdere verbetering van het zicht op de verschillende vormen van verzuim.

Vraag 3

Indien er sprake is van het eerder vermelde aantal van 14 000 leerlingen en een toename vanuit een brede definitie van thuiszitters, hoe beoordeelt u deze situatie dan?

Antwoord 3

Het is altijd ongewenst dat leerplichtige kinderen om wat voor reden dan ook geen onderwijs volgen. Daarom is er een reeks van maatregelen om dit aantal te verminderen. In mijn brief heb ik u over de voortgang van deze maatregelen geïnformeerd. Ik heb de regionalisering en samenwerking in een Regionaal Bureau Leerplicht (RBL) genoemd die de rol van de leerplichtambtenaar en de RMC-coördinator verder kan versterken. Een gezamenlijke inzet op verzuim en het verzuimbeleid in combinatie met een effectiever toezicht door de onderwijsinspectie zal het meldgedrag van scholen en instellingen nog meer verbeteren.

Vraag 4

Wat zijn de financiële gevolgen van het forse aantal thuiszittende kinderen, in de zin dat er leerlinggebonden middelen onderbesteed worden of bij onderwijsinstellingen op de plank blijven liggen?

Antwoord 4

Scholen ontvangen alleen bekostiging voor leerlingen die zijn ingeschreven. De Rijksbegroting is eveneens gebaseerd op ingeschreven leerlingen. Het aantal leerlingen dat niet is ingeschreven heeft dus geen overschot op de Rijksbegroting tot gevolg. Voor de leerlingen die wel zijn ingeschreven, maar onterecht verzuimen, wordt wel bekostiging verstrekt aan de school. De (tijdelijke) afwezigheid van een enkele leerling heeft echter niet of nauwelijks effect op de kosten waar een school mee te maken heeft (bijvoorbeeld de hoeveelheid aangesteld personeel). Er is dus geen sprake van onderbesteding van middelen.

Vraag 5

Kunt u aangeven of het correct is dat het aantal thuiszitters ervoor zorgt dat jaarlijks circa 80 miljoen euro niet of niet direct besteed wordt aan onderwijs voor deze kinderen?2

Antwoord 5

Dat is niet correct. Zie het antwoord op vraag 4.

Vraag 6

Deelt u de constatering dat de bezuinigingen op het passend onderwijs ertoe kunnen bijdragen dat het aantal thuiszitters zal toenemen, indien sommige scholen terughoudender zijn met het toelaten van zorgleerlingen?

Antwoord 6

De bezuinigingen op het passend onderwijs zijn onlangs teruggedraaid. De invoering van passend onderwijs beoogt juist een afname van het aantal thuiszitters. Als het gaat om een leerling die extra ondersteuning nodig heeft, moet de school tengevolge van de zorgplicht op de eigen school of een andere school een passend onderwijsaanbod bieden.

Vraag 7

Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het algemeen overleg op 12 april a.s. over voortijdig schoolverlaten?

Antwoord 7

Met het uitstellen van het algemeen overleg over voortijdig schoolverlaten lijkt mij deze vraag niet meer opportuun.


X Noot
1

 Brief minister van OCW dd. 15 maart 2012 – De Dag van de Leerplicht – ref. 388780.

X Noot
2

 Binnengekomen e-mail – gegevens afzender en inhoud onderhands beschikbaar – d.d. 27 maart 2012.