Vragen van het lid
Gerbrands
(PVV) aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over reservaten in de Noordzee (ingezonden 19 juli
2011).
Antwoord van staatssecretaris
Bleker
(Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) (ontvangen 21 september 2011).
Vraag 1
Bent u bekend met de artikelen «Bleker is het eens met Greenpeace»1, «Noordzee staat stijf van de schol»2, «Noordzeevissers zien meer vis»3, «600 kisten in een etmaal: «Giga-zakken schol»»4, «Steeds meer tong en schol in Noordzee»5 en «Overvloed aan maatjesharing noopt tot doordraaien»?6
Vraag 2
Waarom wijst u 10 tot 15% van de Noordzee als reservaat aan, als uit alle studies en rapporten blijkt dat de Noordzee bulkt
van de vis? Hebben de acties van Greenpeace hier aan bijgedragen?
Antwoord 2
Sinds 2005 is het beleid van de Regering erop gericht om te komen tot de aanwijzing en de bescherming van een aantal mariene
gebieden. Deze gebieden zijn beschreven in het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (zie met name Hoofdstuk 7, p. 81 e.v.).
Dit beleid is het gevolg van de Europese verplichting onder de Vogelrichtlijn (Richtlijn van de Raad nr. 79/409/EEC van 2 april
1979) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn van de Raad nr. 92/43/EEC van 21 mei 1992) om gebieden op zee aan te wijzen die een
speciale bescherming zullen genieten.
In 2008 heeft de toenmalige minister van LNV deze gebieden aangemeld bij de Europese Commissie om te voldoen aan de verplichting
van de Habitatrichtlijn. In 2009 heeft de Europese Commissie deze gebieden goedgekeurd door plaatsing op de lijst van gebieden van gemeenschapsbelang.
Sinds 2009 loopt het proces dat tot doel heeft te komen tot de bescherming van deze gebieden onder de Natuurbeschermingswet
1998. Ook worden in dat verband beschermingsmaatregelen vastgesteld. Bij dit proces zijn zowel de wetenschap, het visserijbedrijfsleven
als de natuurbeschermingsorganisaties betrokken. Ik heb uw Kamer verschillende malen bericht over deze projecten (zgn. VIBEG-project
dat ziet op de gebieden Noordzeekustzone en Vlakte van de Raan; en internationale FIMPAS-project dat ziet op de gebieden Friese
Front, Klaverbank en Doggersbank).
De totale oppervlakte van de mariene Natura 2000 gebieden beslaat 19% van het Nederlandse deel van de Noordzee. Slechts een
deel hiervan zal beperkende maatregelen kennen, de precieze inhoud en omvang hiervan wordt ingevuld in de lopende trajecten
VIBEG (kust) en FIMPAS (visserijzone).
Vraag 3
Realiseert u zich dat met de aanwijzing van de Doggersbank, het Friese Front en de Klaverbank als reservaten, een faillissement
dreigt voor ruim 60 vissersbedrijven? Zo ja, wat wilt u hier tegen gaan doen?
Antwoord 3
De eerder door mij aan uw Kamer toegestuurde rapporten van het LEI (Landbouweconomisch Instituut) geven geen aanleiding genoemde
faillissementen te veronderstellen. Bovendien worden de maatregelen in nauwe samenspraak met de sector voorbereid (zgn. FIMPAS
project, zie ook vraag 2). Uiteindelijk zullen de maatregelen in kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid getroffen
moeten worden. Deze maatregelen dienen voor de gebieden in de kustzone (Vlakte van de Raan en Noordzeekustzone) te worden
goedgekeurd door de Europese Commissie. Voor de overige gebieden (Doggersbank, Klaverbank en Friese Front) is de Europese
Commissie verantwoordelijk voor het nemen van de maatregelen.
Vraag 4
Op basis van welke studies wilt u deze reservaten aanwijzen? Welke rapporten tonen aan dat dit noodzakelijk is?
Antwoord 4
Voor de ecologische onderbouwing van de aan te wijzen Natura2000 gebieden op de Noordzee verwijs ik u naar mijn brief van
14 juni jl. (TK 2010–2011, 32 002, nr. 11), waarin de ter zake relevante studies zijn genoemd.
Vraag 5
Bent u van mening dat toegeven aan (een deel van) de wens van Greenpeace een beloning is voor de acties die zij voerde, die
tegen de wet indruisten, levens in gevaar bracht en waarbij zij voor eigen rechter speelde? Zo ja, bent u bereid om per direct
af te zien van deze beslissing?
Antwoord 5
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 voer ik het sinds 2005 aangekondigde beleid uit. Ik doe dit in goede afstemming
met de wetenschap, de natuurbeschermingsorganisaties, het visserijbedrijfsleven, ICES en de Europese Commissie.
Vraag 6
Hebt u wel eens gesproken met vissers en bent u wel eens mee geweest op een vissersschip? Zo ja, hoe komt u dan aan de genoemde
90% dode bijvangst? Waar is deze op gebaseerd?
Antwoord 6
Ik heb regelmatig contact met vissers en hun voormannen. Voor de bijvangstpercentages verwijs ik graag naar de wetenschappelijke
rapportages van ICES, STECF en de FAO. IMARES heeft onlangs in opdracht van mijn departement en het Productschap Vis een overzicht
gegeven van discards in de Nederlandse situatie: Röckmann, C.; Quirijns, F.; van Overzee, H.; Uhlmann, S. (2011). Discards
in fisheries – a summary of three decades of research at IMARES and LEI. Report number C068/11, IMARES Wageningen UR.
X Noot
1http://visserijnieuws.punt.nl/?id=525562&r=1&tbl_archief=
X Noot
2http://ridder.punt.nl/?id=525088&r=1&tbl_archief=&
X Noot
3http://www.telegraaf.nl/etenengenieten/5191161/__Noordzeevissers_zien_meer_vis__.html
X Noot
4http://ridder.punt.nl/?id=452869&r=1&tbl_archief=&
X Noot
5http://ridder.punt.nl/?id=451742&r=1&tbl_archief=&
X Noot
6http://visserijnieuws.punt.nl/?id=431698&r=1&tbl_archief=