Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012237

Vragen van het lid Irrgang (SP) aan de minister van Financiën over de goudvoorraad (ingezonden 16 september 2011).

Antwoord van minister De Jager (Financiën) (ontvangen 7 oktober 2011).

Vraag 1

Heeft De Nederlandsche Bank (DNB) een deel van haar goudvoorraad uitgeleend? Zo ja, hoeveel en aan wie?

Antwoord 1

Nee. DNB heeft mij aangegeven dat zij in 2008 is gestopt met het uitlenen van goud.

Vraag 2

Waarom zijn in het jaarverslag van DNB het goud en de goudvorderingen bij elkaar opgeteld in plaats van deze beide posten afzonderlijk te vermelden?

Antwoord 2

DNB volgt de regels voor waarderingen, resultaatbepaling en balansopstelling van het Europees Stelsel van Centrale Banken. De gehele post «Goud en goudvorderingen» weerspiegelt de fysieke goudvoorraad.

Vraag 3

Kunt u een overzicht geven van het jaarlijkse rendement dat het uitlenen van goud de afgelopen jaren heeft opgeleverd?

Antwoord 3

Er is de afgelopen jaren geen goud uitgeleend.

Vraag 4

Waar ligt het fysieke goud van DNB? Om welke locaties gaat het en hoeveel is er op die locaties opgeslagen? Om welke reden is het goud nog steeds op deze plaatsen opgeslagen?

Antwoord 4

DNB voert een locatiebeleid waarbij het goud wordt gespreid over de locaties New York, Ottawa, Londen en Amsterdam.

Vraag 5

Wat was de belangrijkste reden voor DNB om het goud te verkopen? Zijn de kosten van het opslaan van goud een reden geweest om goud te verkopen? Hoe hoog zijn de kosten om het goud op te slaan?

Antwoord 5

DNB heeft met de goudverkopen in het verleden het relatieve goudbezit meer in lijn gebracht met andere belangrijke goudhoudende landen. De opslagkosten hebben geen rol gespeeld bij de beslissing om goud te verkopen, omdat ze relatief beperkt zijn. Momenteel bedraagt de vergoeding die DNB betaalt aan de centrale banken waar Nederlands goud ligt opgeslagen in totaal enkele honderdduizenden euro’s per jaar. De kosten verschillen per locatie.

Vraag 6

Kunt u bevestigen dat er sinds 1991 van de 1700 ton goud ongeveer 1100 ton verkocht is? Klopt de waarneming van Peter de Waard1 dat er door vroegtijdige verkopen van het goud ongeveer 30 miljard euro is gederfd? Zo nee, wat is volgens u dan wel het juiste bedrag?

Antwoord 6

Sinds 1991 is 1100 ton goud verkocht. Destijds is vastgesteld dat DNB in internationaal perspectief relatief veel goud bezat. Besloten is de goudhoeveelheid meer in lijn te brengen met andere belangrijke goudhoudende landen. De verkoopopbrengsten zijn toegevoegd aan de algemene reserves van DNB en rentedragend belegd. Een vergelijking van de gemiddelde verkoopprijs van destijds met de huidige, onder invloed van de financiële crisis gestegen goudprijs, leidt inderdaad tot een verschil in de orde van grootte van het door de heer De Waard genoemde bedrag. Wel dient nog rekening gehouden te worden met de beleggingsrendementen die sinds de verkopen zijn gemaakt op de belegde opbrengsten en met het feit dat de uitkomst van dergelijke berekeningen afhankelijk is van de sterk fluctuerende goudprijs.

Vraag 7

Hoeveel is er in de afgelopen twintig jaar van de staatsschuld afgelost met de opbrengst uit goudverkopen? Wordt volgens u de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verbeterd door enerzijds de staatschuld af te lossen en anderzijds de goudvoorraad te verkopen?

Antwoord 7

Goud is een activum van DNB. De verkoopopbrengsten zijn in andere activa belegd en zijn zodoende niet aangewend ter aflossing van de staatsschuld. Het rendement op de beleggingen komt via de winstuitkering van DNB ten goede aan de overheidsfinanciën.

Vraag 8

Wat is volgens u de huidige functie van de goudvoorraad?

Antwoord 8

De fysieke goudvoorraad van DNB vervult in tijden van financiële crisis een functie als ultieme reserve en vertrouwensanker. Verder wordt goud aangehouden uit diversificatieoverwegingen.

Vraag 9

Hoe verhoudt de grootte van de goudmarkt zich tot de grootte van de markt in goudderivaten? Wat zijn daarvan de mogelijke consequenties?

Antwoord 9

De grootte van de fysieke goudmarkt en de grootte van de derivatenmarkt zijn moeilijk te vergelijken omdat uiteenlopende maatstaven voor omvang worden gebruikt. Voor de fysieke goudhandel wordt de omzet gemeten: in de belangrijkste markt (Londen) bedroeg deze in de tweede helft van 2010 USD 136 mld volgens de London Bullion Market Association. Voor de derivatenmarkt wordt de onderliggende waarde van de uitstaande derivaten (swaps, termijncontracten en opties) gerapporteerd: voor de tweede helft van 2010 bedroeg deze omvang USD 396 mld volgens de Bank for International Settlements. In het algemeen kan worden gesteld dat de aanwezigheid van derivatenmarkten een goede prijsvorming bevordert.

Vraag 10

Kunt u bevestigen dat recentelijk een aantal landen juist haar goudvoorraad heeft vergroot? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?

Antwoord 10

De kopers zijn opkomende economieën waar de officiële reserves sterk groeien of waar goud historisch een beperkt deel van reserves uitmaakt.

Er is ook een brede groep landen die goud heeft verkocht in de afgelopen decennia (waaronder Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland).


X Noot
1

Volkskrant, «Moet Nederland zijn laatste goud verkopen?», 7 september 2011.