Vragen van het lid De Mos (PVV) aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over kernafvalopslag COVRA in Zeeland (ingezonden 29 maart 2012).

Antwoord van minister Verhagen (Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) (ontvangen 17 april 2012).

Vraag 1

Bent u bekend met de Nederlandse radioactief afvalverwerking en opslag in Zeeland, genaamd COVRA? Is het u bekend dat alvorens laag- en middelradioactief kernafval wordt opgeslagen, deze eerst verwerkt wordt?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met de vele dure radioactiefafvalverwerkingsapparatuur en -machines die op het complex van COVRA staan? Is het u tevens bekend dat bijvoorbeeld België soortgelijke apparatuur heeft staan?

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Deelt u de mening dat het efficiënter is, gezien de dure apparatuur en de geringe hoeveelheid laag- en middelradioactief afval per jaar, indien landen samenwerken op het gebied van de verwerking van laag- en middelradioactief afval? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Achtereenvolgende kabinetten hebben er voor gekozen dat in Nederland al het radioactieve afval naar COVRA gaat. Eén van de redenen voor die keuze is dat Nederland verantwoordelijk is en wil zijn voor het radioactieve afval dat in ons land ontstaat. De consequentie hiervan is dat COVRA voorzieningen heeft die nodig zijn voor het bewerken van radioactief afval dat in Nederland ontstaat.

Vraag 4

Bent u bereid om te onderzoeken in hoeverre Nederland in de afvalverwerking van het laag en middelradioactieve afval van andere Europese landen kan voorzien? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

In de Europese richtlijn voor radioactief afval en verbruikte splijtstof (2011/70/EURATOM) wordt aangegeven dat iedere lidstaat weliswaar zelf verantwoordelijk is voor het beheer van het in eigen land ontstane radioactieve afval, maar dat samenwerking tussen lidstaten mogelijk moet zijn. Dit geldt ook voor de verwerking van het afval. Eventuele samenwerking is nu echter niet aan de orde.

Naar boven