Vragen van het lid Neppérus (VVD) aan de staatssecretaris van Financiën over het artikel «Leaserijder ontloopt hogere bijtelling» (ingezonden 27 maart 2012).

Antwoord van staatssecretaris Weekers (Financiën) (ontvangen 12 april 2012).

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Leaserijder ontloopt hogere bijtelling»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met het patroon dat in het artikel wordt beschreven, te weten dat nieuwe auto’s voordat het contract is afgelopen kunnen worden besteld, om zo nog 60 maanden van de oude regeling gebruik te kunnen maken?

Antwoord 2

Het desbetreffende autoleasebedrijf geeft op zijn website uitgebreid aan hoe de door hem aangeboden regeling vorm zou moeten krijgen. De regeling komt er op neer dat een leaseauto vóór 15 april 2012 moet worden «besteld», vóór 1 juli 2012 op naam moet worden gezet en vóór 15 november 2012 daadwerkelijk moet worden afgeleverd. Dit leidt of kan leiden tot de toch wat vreemde situatie dat een auto enkele maanden tot een half jaar niet wordt gebruikt door de beoogde klant, terwijl de auto in deze periode wel in waarde daalt (afschrijving). Deze kapitaalvernietiging weegt blijkbaar op tegen het voordeel dat de gebruiker daarna ondervindt van de lagere bijtelling. De website zwijgt overigens over de vraag wie de waardedaling van de auto voor zijn rekening neemt. Het is dus onzeker of deze waardedaling tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld een hogere leaseprijs.

Vraag 3

Deelt u de mening dat de regeling een onbedoeld voordeel in de hand werkt, ten nadele van andere autobezitters?

Antwoord 3

Ik laat in het midden of deze regeling een voordeel in de hand werkt ten nadele van andere autobezitters. Immers, als het aan het betreffende autoleasebedrijf ligt, kan iedere leaserijder van het aanbod gebruik maken. Ik deel wel de mening dat het hier gaat om een onvoorziene mogelijkheid. Voorafgaande aan de totstandkoming van de zogenoemde autobrief en ook later bij de totstandkoming van het daaruit voortvloeiende wetsvoorstel is uitgebreid overleg gevoerd met (onder meer) de autoleasebranche. Het resultaat van dat overleg is een naar mijn mening soepel overgangsrecht waarbij zoveel mogelijk tegemoet is gekomen aan de belangen van de leaserijder. Ik ben er altijd van uitgegaan dat dit overgangsrecht ook volledig aansluit bij de wensen van de autoleasebranche. We hebben getracht voor de reële gevallen passend overgangsrecht te bieden. Daarom acht ik het teleurstellend dat ik nu moet constateren dat leasebedrijven bij de toepassing van het overgangsrecht verder gaan door bewust de maximale ruimte op te zoeken met een regeling die in het normale economische verkeer – zonder een dergelijke overgangsregeling – niet logisch zou zijn.

Vraag 4 en 5

Welke omvang heeft het geschetste probleem? Wat is de belastingderving?

Wilt en kunt u daar wat tegen doen? Zo nee, waarom niet?  Zo ja, wat bent u van plan?

Antwoord 4 en 5

Ik heb geen zicht op de mate waarin men van deze regeling gebruik maakt of gaat maken en kan dan ook geen uitspraken doen over de omvang en de eventuele belastingderving. Ik ben wel van mening dat deze regeling verder gaat dan dat met het overgangsrecht is bedoeld. Als dit substantiële vormen aan zou nemen zou ook sprake kunnen zijn van een substantiële belastingderving, een derving die zeker in het huidige tijdsgewricht ongewenst is. Daar komt bij dat deze regeling niet bijdraagt aan het doel van de gedifferentieerde bijtelling en de aanpassing van de zuinigheidsgrenzen, namelijk het stimuleren van de meest zuinige auto. Ik ben dan ook voornemens om, mocht blijken dat deze regeling inderdaad op grote schaal wordt toegepast, in het Belastingplan 2013 aanvullende wetgeving op te nemen die ertoe leidt dat voor deze auto’s alsnog de bijtelling wordt toegepast overeenkomstig de zuinigheidsgrenzen die vanaf 1 juli 2012 van toepassing zullen zijn.


X Noot
1

De Telegraaf, 23 maart 2012.

Naar boven