Vragen van de leden Voordewind (ChristenUnie), Van Klaveren (PVV), Van der Staaij
(SGP) en Sterk (CDA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie, van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en voor Immigratie, Integratie en Asiel over de komst
van een extremistische imam naar Nederland (ingezonden 17 februari 2012).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de ministers
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Immigratie, Integratie
en Asiel (ontvangen 5 april 2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012,
nr. 1769.
Vraag 1 en 2
Hoe moet het antwoord dat u de gewraakte, ook tot geweld oproepende, uitlatingen van
de heer Al Haddad verwerpelijk vindt, nader worden geduid in juridische zin? Kwalificeert
u deze uitlatingen als zijnde in strijd met de openbare orde, als bedoeld in de Vreemdelingenwet?
Deelt u de mening dat deze uitspraken in omstandigheden ook een overtreding van de
strafwet kunnen inhouden?1
Kunt u nader toelichten waarom u ondanks uw bevestigende antwoord op de vraag of de
uitlatingen verwerpelijk zijn, desondanks niet van mening bent dat er voldoende reden
is de toegang van de heer Al Haddad tot Nederland te weigeren?
Antwoord 1 en 2
De vaak geciteerde uitspraken vind ik verwerpelijk. Bij het beoordelen of mogelijk
discriminatoire uitlatingen strafbaar zijn, is het noodzakelijk om exact te kunnen
vaststellen welke uitlatingen wanneer, waar, en in welke context zijn gedaan. Die
beoordeling van de strafbaarheid dient in een individueel geval in eerste instantie
door het openbaar ministerie en uiteindelijk door de strafrechter te geschieden. Ik
kan dan ook niet aangeven in hoeverre deze geïsoleerde citaten, waarvan ik in mijn
beantwoording van eerdere schriftelijke vragen heb aangeven deze verwerpelijk te vinden,
een overtreding van de strafwet kunnen inhouden.
De wet biedt mij niet de ruimte om zonder concrete aanwijzingen voor dreigende ernstige
strafbare feiten iemand de toegang tot Nederland te ontzeggen louter op basis van
zijn uitspraken.
Ik had geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van de heer Haddad hier ook daadwerkelijk
zou leiden tot een werkelijk en ernstig gevaar voor de openbare orde en veiligheid,
ook gelet op zijn eerdere bezoeken aan Nederland in 2009 en 2010. Het feit dat zijn
aanwezigheid in Nederland niet tot problemen in de sfeer van openbare orde heeft geleid,
bevestigt mij in dat oordeel.
Vraag 3
Op welke gronden heeft u aanleiding gezien om in eerdere, min of meer vergelijkbare
gevallen, de toegang wel te weigeren?
Antwoord 3
Ik heb in deze zaak de bestaande nationale en internationale regelgeving toegepast.
In vergelijkbare gevallen is, en zal, vergelijkbaar worden gehandeld.
Vraag 4
Hebt u zich ervan gewist hoe Groot-Brittannië de uitspraken van de heer Al-Haddad
kwalificeert? Zo ja, wat is daarop het antwoord?
Antwoord 4
Voor zover door mij valt na te gaan is betrokkene in het VK niet vervolgd voor zijn
uitspraken.
Vraag 5
Kunt u de Kamer nader informeren over het beleid om personen tegen wie bedenkingen
bestaan om redenen van openbare orde en/of de nationale veiligheid al dan niet tot
Nederland toegang te verschaffen? Hoe vindt de besluitvorming en afweging op dit punt
precies plaats, mede tegen de achtergrond van de uitvoering van de motie-Van der Staaij2 en tegen de achtergrond van de doelstelling om de verspreiding van extremisme en
radicalisme tegen te gaan?
Antwoord 5
Staand beleid is om personen die een bedreiging voor de openbare orde en/of de nationale
veiligheid vormen de toegang tot Nederland te ontzeggen. Voor EU-onderdanen geldt,
anders dan voor niet-EU-onderdanen, dat toegangsweigering op deze gronden alleen kan
plaatsvinden indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ernstige strafbare feiten
ophanden zijn.
Voor niet-EU-onderdanen geldt dat eenieder die aan de Schengenvoorwaarden voldoet,
de grens mag passeren en – indien visumplichtig – een visum kan krijgen. Indien er
duidelijke aanwijzingen zijn dat de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de
internationale betrekkingen in het geding zijn, biedt de Schengenregelgeving de ruimte
om een visumaanvraag af te wijzen en/of toegang aan de grens te weigeren. Of sprake
is van risico’s op het gebied van mogelijke openbare ordeverstoringen en welke consequenties
daaraan worden verbonden, is een zaak waarbij elk geval op eigen merites wordt beoordeeld.
Op het moment dat een niet-EU-onderdaan een visum aanvraagt of toegang tot Nederland
verzoekt aan de buitengrens, vindt een controle plaats van de beschikbare systemen
zoals het opsporingsysteem (OPS) en het Schengen informatiesysteem (SIS). Als de vreemdeling
daarin voorkomt zal dat in vrijwel alle gevallen een dwingende reden zijn een visum
of toegang te weigeren. Uiteraard wordt bij de besluitvorming, indien nodig, informatie
over de vreemdeling opgevraagd bij o.a. het openbaar ministerie, inlichtingendiensten,
buitenlandse overheden en Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.