Vragen van het lid Van der Ham (D66) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de medezeggenschap aan het Stedelijk Lyceum te Enschede (ingezonden 7 februari
2012).
Antwoord van minister Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
(ontvangen 19 maart 2012).
Vraag 1
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over medezeggenschap1, waarin u schrijft dat, als het bevoegd gezag weigert de uitspraak van de Geschillencommissie
na te komen, een medezeggenschapsorgaan een nalevingsvordering op grond van artikel
36, lid 1, wet Medezeggenschap op scholen (WMS), kan instellen bij de Ondernemingskamer? Kunt
u bevestigen dat de procedure bij de Ondernemingskamer echter bedoeld is om naleving
van een wettelijke verplichting af te dwingen en niet om nakoming van een uitspraak
van de Geschillencommissie af te dwingen? Kunt u daarom uw antwoord verduidelijken?
Antwoord 1
Ja, dat herinner ik mij. De Landelijke Commissie Geschillen WMS (hierna LCG WMS) is
bevoegd in instemmingsgeschillen, geschillen over de inhoud van het medezeggenschapsstatuut
en medezeggenschapsreglement, adviesgeschillen en geschillen over de interpretatie
van een bepaling in de WMS, het medezeggenschapsreglement of medezeggenschapsstatuut.
De Ondernemingskamer bij het Gerechtshof Amsterdam fungeert als beroepsrechter voor
uitspraken van de LCG WMS op grond van de artikelen 32, 33, 34 en 35 van de WMS en
is bevoegd in nalevingsgeschillen. Het gaat bij nalevingsgeschillen inderdaad om naleving
van wettelijke verplichtingen door het bevoegd gezag.
Vraag 2
Vindt u het in het kader van een behoorlijke rechtsbescherming gerechtvaardigd dat
een medezeggenschapsorgaan een geheel nieuwe procedure (met dure verplichte procesvertegenwoordiging)
bij de Ondernemingskamer moet beginnen om nakoming van een uitspraak af te dwingen?
Antwoord 2
Ja. Dit is niet anders dan bij andere gerechtelijke procedures. Daarnaast voorziet
de WMS in de verplichting een faciliteitenregeling te treffen voor de medezeggenschapstaken.
Hierin kunnen afspraken worden vastgelegd over de vergoeding van juridische kosten,
waaronder ook procesvertegenwoordiging.
Vraag 3
Kunt u toelichten welke civiele rechter u bedoelt in uw antwoord, met het oog op artikel
36, leden 1 en 2 van de WMS, waarin is bepaald dat een medezeggenschapsorgaan alleen
in rechte kan optreden bij de Ondernemingskamer en het feit dat een medezeggenschapsorgaan
geen natuurlijk persoon of rechtspersoon is en daarom geen rechtsbevoegdheid in de
zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft (aldus Hoge Raad, 3 december
1993, NJ 1994, 375)?
Antwoord 3
Het klopt dat een medezeggenschapsorgaan geen rechtspersoonlijkheid bezit. Daarom
zal in dit geval een of meerdere leden van het medezeggenschapsorgaan als natuurlijk
persoon naar de voorzieningenrechter dienen te gaan om naleving van de uitspraak af
te dwingen. Dit kan door aan te voeren dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad
heeft gepleegd door het niet-naleven van een uitspraak van de Ondernemingskamer.
Vraag 4
Bent u van plan om een bekostigingsmaatregel te nemen, nu duidelijk is dat het bevoegd
gezag van het Stedelijk Lyceum Enschede niet van plan is de genoemde uitspraken na
te komen?
Antwoord 4
Een bekostigingsmaatregel kan ik opleggen indien een bevoegd gezag de bij of krachtens
de WMS gegeven voorschriften niet nakomt.
In onderhavig geval is sprake van een geschil tussen twee autonome partijen, te weten
het bevoegd gezag en de ouder/leerlinggeleding van de «oude» GMR. Indien de ouder/leerlinggeleding
van mening is dat er sprake is van niet-naleving van de uitspraak van de Ondernemingskamer
door het bevoegd gezag kan dit voor de voorzieningenrechter gebracht worden (zie daarvoor
ook mijn antwoord op vraag 3). Het past mij als minister niet om deze rechtsgang te
doorkruisen, temeer daar de uitspraak van de Ondernemingskamer in dit geval geen instructie
bevat die de minister van OCW zou moeten bewaken.
Mijns inziens is er geen sprake van niet-naleving van de WMS door het bevoegd gezag
van het Stedelijk Lyceum Enschede. De Inspectie heeft bovendien in november 2011 vastgesteld
dat de medezeggenschap op de school op een goede manier is vormgegeven en dat wordt
voldaan aan de verplichtingen op grond van de WMS. Ik zie dan ook geen aanleiding
of mogelijkheid tot het treffen van een bekostigingssanctie.
Vraag 5
Deelt u de mening dat er sprake lijkt van een leemte in de rechtsbescherming voor
medezeggenschapsorganen als uit de antwoorden op de vragen 1, 2 en 3 blijkt dat de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) geen rechtsmiddel heeft om het bevoegd
gezag te dwingen tot nakoming van een uitspraak?
Antwoord 5
Ik deel de mening dat de GMR geen rechtsmiddel heeft om het bevoegd gezag te dwingen
tot nakoming van een uitspraak niet. Alle scholen dienen zich aan de WMS te houden.
Indien dat niet gebeurt kan het medezeggenschapsorgaan een nalevingsvordering instellen
bij de Ondernemingskamer. Alle partijen zijn gebonden aan de uitspraak van de Ondernemingskamer.
Indien een partij zich hier niet aan houdt staat de weg naar de voorzieningenrechter
open.
X Noot
1 Vragen van het lid Van der Ham, Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2011–2012,
nr. 1328.